Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9207

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200202996/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2002, kenmerk BE1V001, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Thopol B.V." een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het bakken van aardnoten (katjang pedis), het drageren van aardnoten (suikerpinda’s), het opslaan en transportklaar maken van zilveruien en het opslaan van landbouwwerktuigen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [-], nummers [-], [-] en [-]. Dit besluit is op 1 mei 2002 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/3907
Milieurecht Totaal 2003/3246
JOM 2008/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202996/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2002, kenmerk BE1V001, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Thopol B.V." een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het bakken van aardnoten (katjang pedis), het drageren van aardnoten (suikerpinda’s), het opslaan en transportklaar maken van zilveruien en het opslaan van landbouwwerktuigen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [-], nummers [-], [-] en [-]. Dit besluit is op 1 mei 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 3 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 4 juni 2002, en appellanten sub 2 bij brief van 11 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 9 september 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 4 februari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2003, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. F.C.M. van Gurp, advocaat te Middelburg, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D.M.A.A. Oostvogels,

ing. J.S.A.M. Verswijveren en ing. R.E.S.S. Vliex, gemachtigden, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door

mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en [gemachtigde], daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Appellant sub 1 heeft de beroepsgrond inhoudende dat in plaats van een revisievergunning een oprichtingsvergunning had moeten worden verleend, ter zitting ingetrokken.

2.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellant sub 1 heeft de grond inzake de maatvoering van de vaten voor zilveruien niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Appellanten sub 2 hebben de grond inzake de brandveiligheid niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten sub 1 en sub 2 redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten sub 1 en 2 in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellanten sub 2 betogen dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op de door hen schriftelijk ingebrachte bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit.

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de schriftelijk ingebrachte bedenkingen eveneens mondeling naar voren zijn gebracht tijdens de hoorzitting die op 9 augustus 2001 heeft plaatsgevonden. Appellanten sub 2 hebben dit niet gemotiveerd weerlegd.

Verweerder heeft in de considerans van het bestreden besluit zijn overwegingen omtrent deze bedenkingen vermeld. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit zich in zoverre niet verdraagt met artikel 3:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5. Appellanten sub 2 betogen dat de thans aangevraagde en vergunde activiteiten aanmerkelijk verschillen van de activiteiten die voorheen door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Bravi B.V.” (hierna: Bravi B.V.), op het terrein van de inrichting werden uitgevoerd en waarvoor bij besluit van 17 december 1991 een vergunning krachtens de Hinderwet was verleend. Naar hun mening zijn deze verschillen zodanig dat feitelijk sprake is van een nieuwe inrichting en dat, gelet hierop, verweerder een oprichtingsvergunning had moeten verlenen in plaats van een revisievergunning.

De Afdeling overweegt dat indien voor een inrichting eerder een vergunning is verleend en de aangevraagde wijzigingen zodanig zijn, dat feitelijk sprake is van een nieuwe inrichting dan wel van een inrichting van een geheel andere aard, het systeem van de Wet milieubeheer, met name gelet op de tekst van artikel 8.4, derde lid, zich er niet tegen verzet dat een revisievergunning wordt verleend. Het verlenen van een revisievergunning voor een wezenlijk andere inrichting dan die waarop de onderliggende vergunning ziet, is mogelijk, ook al zijn de milieugevolgen van een andere aard of intensiteit dan de milieugevolgen die op grond van de onderliggende milieuvergunning waren toegestaan. Het bevoegd gezag moet in een dergelijk geval de aanvraag beoordelen als betrof deze een oprichtingssituatie. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij de gevolgen voor het milieu heeft beoordeeld als ware het een oprichtingssituatie. De Afdeling ziet in hetgeen appellanten sub 2 naar voren hebben gebracht geen aanleiding om hieraan te twijfelen.

2.6. Appellanten sub 1 en sub 2 kunnen zich niet verenigen met de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau die zijn gesteld in het aan de vergunning verbonden voorschrift V.1. Appellanten sub 2 betogen in dit verband dat verweerder bij het stellen van deze geluidgrenswaarden ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de geluidgrenswaarden die in tabel 4 van de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening (hierna: de Handreiking) worden aanbevolen voor een rustige woonwijk met weinig verkeer. Naar hun mening had verweerder grenswaarden moeten stellen die overeenkomen met de grenswaarden die in de Handreiking voor een landelijke omgeving worden aanbevolen.

2.6.1. In voorschrift V.1 is, kort weergegeven en voorzover hier van belang, bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) niet meer mag bedragen dan 45 dB(A) (etmaalwaarde) ter plaatse van de gevels van woningen van derden en de referentiepunten 1 en 2 die zijn weergegeven op de als Bijlage II bij het besluit opgenomen kaart.

2.6.2. Verweerder heeft blijkens de considerans van het bestreden besluit ter invulling van de hem toekomende beoordelingsvrijheid aansluiting gezocht bij hoofdstuk 4 van de Handreiking.

In Hoofdstuk 4 van de Handreiking is aanbevolen dat bij de herziening van de vergunning de richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau volgens tabel 4 opnieuw worden getoetst. In tabel 4 zijn per gebiedstype richtwaarden aanbevolen.

2.6.3. In het deskundigenbericht is gesteld dat de omgeving van de inrichting als gevolg van de ter plaatse aanwezige woonkern en bedrijvigheid te karakteriseren is als een “rustige woonwijk, weinig verkeer” als bedoeld in tabel 4 van de Handreiking. De Afdeling ziet, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, geen aanleiding hieraan te twijfelen. De in voorschrift V.1 gestelde grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau komen overeen met de in de Handreiking voor deze omgevingscategorie aanbevolen richtwaarde van 45 dB(A) als etmaalwaarde. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de in dit voorschrift gestelde grenswaarden niet voor onaanvaardbare geluidhinder behoeft te worden gevreesd. Daarbij overweegt de Afdeling nog ten overvloede dat in het akoestisch rapport van [naam] raadgevende ingenieurs (hierna: WNP) van 10 januari 2001, aangevuld op 12 maart 2001, dat deel uitmaakt van de aanvraag, is vermeld dat in 1996 metingen naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid hebben plaatsgevonden en dat daarbij in de dagperiode waarden van 45 dB(A) zijn gemeten.

2.7. Appellanten sub 2 kunnen zich niet verenigen met het aan de vergunning verbonden voorschrift V.8. Zij betogen dat voor onaanvaardbare geluidhinder moet worden gevreesd, indien binnen de inrichting twaalf maal per jaar mag worden overgewerkt. Voorts voeren zij aan dat niet duidelijk is of overwerk ook op zondagen kan plaatsvinden. Tot slot menen zij dat voorschrift V.8 niet handhaafbaar is.

2.7.1. In voorschrift V.8 is, voorzover hier van belang, bepaald dat maximaal twaalf dagen per kalenderjaar in de avondperiode mag worden overgewerkt, waarbij de geluidgrenswaarden behorende bij de dagperiode, uit de voorschriften V.1 en V.2, van toepassing zijn. Deze incidentele bedrijfssituaties dienen minimaal 24 uur van te voren bij het bevoegd gezag te worden gemeld.

2.7.2. In de aanvraag is vermeld dat het in zogeheten piekperioden voorkomt dat moet worden overgewerkt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het ten hoogste twaalf dagen van toepassing verklaren van de geluidgrenswaarden van de dagperiode voor de avondperiode nodig is om te kunnen overwerken. In dit verband betoogt hij dat de grenswaarden die normaliter voor de avondperiode gelden reeds worden overschreden door bijvoorbeeld het dichtslaan van portieren van voertuigen en de vrachtwagenbewegingen op het terrein van de inrichting. Verder heeft hij betoogd dat het gelet op de Handreiking toelaatbaar kan worden geacht dat ontheffing wordt verleend om maximaal twaalf maal per jaar activiteiten uit te voeren die niet worden gerekend tot de representatieve bedrijfssituatie waarvoor in de vergunning geluidgrenswaarden zijn gesteld.

De Afdeling overweegt dat het niet ongebruikelijk is om voor incidentele gevallen gedurende ten hoogste twaalf dagen per jaar ontheffing te verlenen van de geldende geluidvoorschriften. Daarbij dient echter voldoende gewaarborgd te zijn dat onnodige en overmatige hinder wordt voorkomen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de in voorschrift V.8 neergelegde beperkingen niet voor onaanvaardbare geluidhinder als gevolg van overwerk behoeft te worden gevreesd.

Met betrekking tot het betoog dat onduidelijk is of ook op zondagen zou kunnen worden overgewerkt, overweegt de Afdeling dat in de aanvraag is vermeld dat de inrichting in werking is van maandag tot en met zaterdag van 7.30 tot 18.30. De vergunning is op dit punt overeenkomstig de aanvraag verleend. Op zondagen mag derhalve niet gewerkt worden. Hetgeen in voorschrift V.8 is bepaald, kan daar niet aan afdoen. De Afdeling ziet voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat voorschrift V.8 niet handhaafbaar is.

2.8. Appellanten sub 2 voeren aan dat verweerder ten onrechte geen voorschriften heeft gesteld ten aanzien van het laagfrequent geluid.

De Afdeling overweegt dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet vaststond of laagfrequent geluid moet worden aangemerkt als objectiveerbare hinder dan wel verband houdt met een bijzondere gevoeligheid van bepaalde personen voor dit geluid. Gelet op artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer, hebben verweerders derhalve op goede gronden ter zake geen voorschriften gesteld.

2.9. Appellanten sub 1 en sub 2 betogen dat het akoestisch rapport van 10 januari 2001 geen representatief beeld geeft van de geluidbelasting vanwege de inrichting en dat in het rapport de geluidbelasting gunstiger wordt voorgesteld dan in de praktijk haalbaar is. Appellanten vrezen dan ook dat de geluidgrenswaarden worden overschreden. Zo betogen appellanten sub 1 en sub 2 in de eerste plaats dat de geluidbelasting vanwege de inrichting op de woning van appellant sub 1 concreter berekend had moeten worden, omdat zijn woning niet is weergegeven op de in Bijlage II opgenomen kaart. Appellanten sub 2 betogen voorts dat, anders dan in het akoestisch rapport is gesteld, de koelcondensor 24 uur per dag in werking is. Voorts stellen zij dat door het verkeersgeluid binnen de inrichting de geluidgrenswaarden zullen worden overschreden. In dit verband wijzen zij er op dat in de uitspraak van 16 juli 1998, no. E03.97.0841, waarbij de aan Bravi B.V. verleende revisievergunning is vernietigd, is overwogen dat de grenswaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 45 dB(A) niet kon worden nageleefd, indien er vrachtwagenbewegingen op het terrein van de inrichting plaatsvinden.

2.9.1. De Afdeling stelt voorop dat bovengenoemde uitspraak betrekking heeft op de bedrijfsvoering van Bravi B.V. Niet in geschil is dat de bedrijfsvoering van Bravi B.V. verschilt van de bedrijfsvoering van vergunninghoudster. Gelet hierop is het naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk dat de bedrijfsvoering van Bravi B.V. andere geluidemissies met zich bracht dan de geluidemissie die de in het onderhavige geval aangevraagde activiteiten met zich brengen. Verweerder diende derhalve uit te gaan van het bij de aanvraag behorende akoestisch rapport en de daarin berekende geluidbelasting vanwege de verkeersbewegingen op het terrein van de inrichting.

In het akoestisch rapport is vermeld dat de koelcondensor gedurende de gehele dagperiode en door middel van een tijdschakelaar 50% van de nachtperiode in werking is. Verder blijkt uit het akoestisch rapport dat als gevolg van deze beperking een bedrijfsduurcorrectie van 3 dB(A) dient te worden toegepast, hetgeen inhoudt dat aan de geluidgrenswaarde voor de nachtperiode kan worden voldaan. Mede gelet op het deskundigenbericht ziet de Afdeling geen aanleiding hieraan te twijfelen.

In het akoestisch rapport zijn voorts de bronvermogens weergegeven van de vrachtwagens die op het terrein van de inrichting rijden. Appellanten sub 2 hebben de als bronvermogen opgegeven waarden niet gemotiveerd bestreden. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de Afdeling voldoende aannemelijk dat de modellering van de bronvermogens van vrachtwagenbewegingen binnen de inrichting op representatieve wijze heeft plaatsgevonden.

Gezien het voorgaande en nu ook anderszins geen aanleiding bestaat om aan de uitkomsten van het akoestisch rapport te twijfelen, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn. Ten aanzien van het betoog dat de geluidbelasting op de woning van appellant sub 1 concreter had moeten worden berekend, overweegt de Afdeling dat de in voorschrift V.1 gestelde geluidgrenswaarden gelden ter plaatse van de gevels van woningen van derden en derhalve ook voor de woning van appellant sub 1. Dat deze woning niet is weergegeven op de kaart in Bijlage II van de vergunning kan hieraan niet afdoen.

2.10. Appellanten sub 1 en sub 2 betogen dat voor onaanvaardbare geluidhinder als gevolg van vervoersbewegingen van en naar de inrichting moet worden gevreesd, omdat onzeker is of aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) uit de circulaire “Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting” van 29 februari 1996 (hierna: de circulaire) kan worden voldaan. Zij voeren in dit verband aan dat het aantal vervoersbewegingen van en naar de inrichting dat in het akoestisch rapport is opgegeven, onjuist is. Naar hun mening is het aantal vervoersbewegingen benodigd voor de aan- en afvoer van zilveruien onderschat, gelet op het feit dat in de aanvraag is vermeld dat binnen de inrichting maximaal 7000 vaten met zilveruien worden opgeslagen. In dit verband betogen appellanten sub 2 dat in de vergunning niet is vastgelegd wat de afmetingen van een vat dienen te zijn en dat, indien grotere vaten worden gebruikt, nòg meer vrachtwagenbewegingen nodig zullen zijn. Verder vrezen appellanten sub 1 en sub 2 dat de vergunning op dit punt niet zal worden nageleefd.

2.10.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat bij naleving van de in de circulaire aanbevolen waarde van 50 dB(A) niet voor onaanvaardbare geluidhinder als gevolg van verkeersbewegingen van en naar de inrichting behoeft te worden gevreesd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen.

2.10.2. In de aanvraag en het daarbij behorende akoestisch rapport is vermeld dat in de periode van juni tot en met augustus met 25 vrachtwagenbewegingen vaten met zilveruien worden aangevoerd en dat in de periode september tot en met mei met 25 bewegingen weer zilveruien worden afgevoerd. Verder is vermeld dat per dag maximaal twee vrachtwagens de inrichting zullen aandoen. In het deskundigenbericht is vermeld dat per transport maximaal 200 volle dan wel 300 lege vaten kunnen worden vervoerd. De Afdeling ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. Voorts is ter zitting aannemelijk geworden dat, anders dan appellanten sub 2 betogen, niet jaarlijks alle vaten uit de inrichting worden verwijderd.

Gelet op het bovenstaande acht de Afdeling het aantal vervoersbewegingen benodigd voor de aan- en afvoer van de vaten zilveruien dat in het akoestisch rapport en de aanvraag is vermeld, representatief. Daarbij merkt de Afdeling nog op dat de aanvraag blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de vergunning, zodat vergunninghoudster gebonden is aan dit aantal vervoersbewegingen. Dat niet is vastgelegd hoe groot de vaten mogen zijn, kan hieraan niet afdoen.

2.10.3. In het akoestisch rapport is de geluidbelasting vanwege de verkeersbewegingen van en naar de inrichting zoals die in de aanvraag is weergegeven ter plaatse van de relevante woningen van derden berekend. Deze bedraagt ten hoogste 46 dB(A). De Afdeling ziet, mede gelet op het deskundigenbericht, geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Nu de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) uit de circulaire niet wordt overschreden, heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet voor onaanvaardbare hinder vanwege de verkeersbewegingen van en naar de inrichting behoeft te worden gevreesd.

2.11. Appellanten sub 1 en sub 2 vrezen geurhinder. In dit verband betogen appellanten sub 2 dat, gelet op de Brochure Bedrijven en Milieuzonering van de Vereniging Nederlandse Gemeenten, verweerder rekening had moeten houden met een afstand van 300 meter tussen de inrichting en de dichtstbijzijnde gevoelige objecten. Verder betogen appellanten sub 2 dat ten onrechte niet is voorgeschreven dat de dampen afkomstig van de natte gaswasser op 14,5 meter hoogte geëmitteerd moeten worden. Zij wijzen er op dat deze hoogte in het geurrapport “Haalbaarheidsonderzoek Prodimex locatie Lepelstraat” van Project Research Amsterdam (hierna: PRA), gedateerd juni 1999, is genoemd.

De Afdeling overweegt dat de door appellanten sub 2 genoemde brochure wordt gebruikt bij het opstellen van bestemmingsplannen en niet is bedoeld om te worden toegepast bij de beoordeling van aanvragen om milieuvergunningen. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid doordat verweerder het in juni 1999 uitgebrachte geurrapport niet in de beoordeling van de aanvraag heeft betrokken. Dit rapport maakt immers geen deel uit van de aanvraag.

2.12. Appellanten sub 1 en sub 2 zijn van mening dat de vergunning onvoldoende waarborgen biedt tegen geurhinder als gevolg van het bakken van pinda’s. Appellanten sub 2 betogen voorts dat de geuremissies die optreden bij het openen van de vaten met uien ten onrechte niet gemodelleerd zijn en dat de hedonische waarde hiervan niet bekend is. Tot slot betwijfelen appellanten sub 2 de handhaafbaarheid van voorschrift I.B.7, waarin, voorzover hier van belang, is bepaald dat binnen de inrichting maximaal vijf vaten gelijktijdig geopend mogen zijn.

2.12.1. Ten aanzien van de te verwachten geurhinder als gevolg van het bakken en koelen van pinda’s overweegt de Afdeling als volgt. Verweerder is voor het beoordelen van de aanvaardbaar te achten geurhinder als gevolg van deze activiteit uitgegaan van het bij de aanvraag behorende geurrapport van PRA, gedateerd 15 januari 2001. Hierin is vermeld dat bij de berekening van de te verwachten geuremissies is uitgegaan van meetgegevens van vergelijkbare pindabranderijen en kengetallen uit eerdere geuronderzoeken bij een notenverwerkend bedrijf. Verder is vermeld dat bij een geurconcentratie van 2,3 geureenheden per m3 (g.e./m3) als 98-percentiel een hedonische waarde van –1 (zeer licht onaangenaam) hoort. Bij een concentratie van

2,3 g.e./m3 en hoger kan ter plaatse van woningen van omwonenden volgens het rapport hinder optreden. In het rapport is vermeld welke maatregelen getroffen dienen te worden om te voorkomen dat deze waarde wordt overschreden. Zo dienen de afgassen deels te worden gereinigd met een thermische olieverhitter/naverbrander met een geurverwijderingsrendement van 99% en afgevoerd naar de lucht op 9,5 meter boven maaiveld en deels te worden gereinigd door een natte wasser met een geurverwijderingsrendement van 80% en afgevoerd op 12,5 meter boven maaiveld. Mede gelet op het deskundigenbericht ziet de Afdeling geen aanleiding om hieraan te twijfelen.

Verweerder heeft de bovengenoemde voorzieningen en verwijderingsrendementen vastgelegd in de voorschriften VII.A.5, VII.A.6, VII.A.8 en VII.A.9. Voorts is in voorschrift VII.A.1 voorgeschreven dat binnen negen maanden na het van kracht worden van de vergunning de werkelijke geuremissie moet zijn vastgesteld. In voorschrift VII.A.4 is bepaald dat indien naar het oordeel van het bevoegd gezag blijkt dat, ondanks dat de in de aanvraag opgenomen geur-emissiewaarden niet worden overschreden, de geurhinder ter plaatse van woningen onacceptabel is, het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen met betrekking tot de hoogte van de emissiepunten.

Gelet hierop en op hetgeen in het deskundigenbericht hieromtrent is gesteld, heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de op dit punt aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend zijn ter voorkoming dan wel voldoende beperking van geurhinder als gevolg van het bakken van pinda’s.

2.12.2. Ten aanzien van de geuremissies die vrijkomen bij het openen van de vaten met uien, heeft verweerder betoogd dat geuremissies zouden kunnen optreden als gevolg van het bewaren en pekelen van uien, maar dat deze emissies, vanwege de geringe omvang, nauwelijks te modelleren zijn. Ter beperking van eventueel optredende geuremissies heeft verweerder in paragraaf I.B van de vergunning maatregelen voorgeschreven. Zo is onder meer bepaald dat zilveruien uitsluitend op het verharde terreingedeelte aan de achterzijde van de bedrijfsgebouwen van de inrichting mogen worden opgeslagen en moeten worden bewaard in goed gesloten emballage die zodanig dampdicht is uitgevoerd dat deze bestand is tegen penetratie van geuren afkomstig van azijnoplossing. Verder dient het morsen van zout- en azijnoplossingen te worden voorkomen en mogen maximaal 5 vaten gelijktijdig zijn geopend. Voorts moeten gemorste en/of gelekte vloeistoffen direct worden geabsorbeerd, zodat de geur afkomstig van de gemorste vloeistoffen geen hinder buiten de inrichting veroorzaakt.

Mede gelet op het deskundigenbericht is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de aan de vergunning verbonden voorschriften niet voor onaanvaardbare geurhinder als gevolg van de opslag van zilveruien hoeft te worden gevreesd. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat voorschrift I.B.7 niet handhaafbaar is, voorzover daarin is bepaald dat niet meer dan 5 uienvaten gelijktijdig mogen zijn geopend.

2.13. Appellanten sub 1 en sub 2 voeren aan dat uit het opnemen van de voorschriften V.12 en VII.A.1 blijkt dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit onzeker was wat de toekomstige geluid- en geurbelasting vanwege de inrichting zou zijn en dat verweerder hier meer onderzoek naar had moeten doen.

2.13.1. Ingevolge voorschrift V.12 dient binnen 1 maand na datum van vergunningverlening een rapport aan verweerder te worden overgelegd waarin door middel van metingen of berekeningen wordt aangetoond dat aan de voorschriften V.1 en V.2 wordt voldaan.

Ingevolge voorschrift VII.A.1 dient, kort weergegeven en voorzover hier van belang, binnen 9 maanden na het van kracht worden van de vergunning de werkelijke geuremissie van de inrichting te zijn vastgesteld.

2.13.2. Verweerder heeft betoogd dat, omdat de inrichting nog niet geheel in werking was tijdens het indienen van de aanvraag, enkel berekeningen ten aanzien van de te verwachten geluid- en geurbelasting konden worden overgelegd. Deze berekeningen zijn weergegeven in de bovengenoemde rapporten van WNP en PRA. Bij het bepalen van het aanvaardbaar te achten geur- en geluidhinderniveau en ter beantwoording van de vraag of het door hem gekozen beschermingsniveau kan worden nageleefd, is hij van deze berekeningen uitgegaan.

2.13.3. De Afdeling ziet, gelet op het hiervoor overwogene, geen aanleiding voor het oordeel dat bij de berekening van de te verwachten geur- en geluidbelasting in de rapporten van WNP en PRA is uitgegaan van onvoldoende dan wel onjuiste gegevens. Nader onderzoek was daarom niet noodzakelijk. Deze noodzakelijkheid kan evenmin worden afgeleid uit de omstandigheid dat verweerder de voorschriften V.12 en VII.A.1 aan de vergunning heeft verbonden. De Afdeling merkt daarbij op dat ingevolge artikel 8.13, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer aan een vergunning voorschriften kunnen worden verbonden inhoudende dat metingen worden verricht ter bepaling van de mate waarin de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.

2.14. Appellanten sub 2 menen dat ten onrechte niet is voorgeschreven dat de ondergrond waarop de vaten met zilveruien staan opgeslagen, is voorzien van een vloeistofdichte vloer. In dit verband voeren zij aan dat uit controles van de Regionale Milieudienst West-Brabant is gebleken dat de vaten op het terrein lekten, niet goed waren afgesloten en ernstig vervormd waren.

2.14.1. De Afdeling overweegt dat ter voorkoming van bodemverontreiniging in hoofdstuk IV van de vergunning voorschriften zijn opgenomen. Zo is in de voorschriften IV.1 en IV.2 bepaald dat de gedeelten waar ten gevolge van de bedrijfsvoering voor het milieu schadelijke (vloei)stoffen op of in de bodem kunnen komen, voorzien dienen te zijn van een vloer die bestand is tegen die (vloei)stoffen. De vloer dient zodanig te zijn uitgevoerd dat (vloei)stoffen of verontreinigd hemelwater niet in de bodem kunnen geraken. Voort is in voorschrift IV.4 bepaald dat vaten, bovengrondse tanks, emballage en dergelijke waarin zich een voor het milieu schadelijke vloeistof bevindt moeten zijn opgesteld op een vloeistofdicht oppervlak dat wordt begrensd door een vloeistofdichte omwalling. Verder zijn in paragraaf I.B. van de vergunning maatregelen neergelegd met betrekking tot de opslag van uien, de handelwijze met betrekking tot lekkende emballage, en het voorkomen van het in de bodem raken van azijnzuuroplossingen.

De Afdeling is, mede gelet op het deskundigenbericht, van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze voorschriften voldoende waarborg bieden tegen bodemverontreiniging.

2.15. Appellant sub 1 vreest visuele hinder als gevolg van de opslag van zilveruien.

2.15.1. De vraag of zich visuele hinder voordoet komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de opgestapelde uienvaten zodanig zijn afgeschermd door de bedrijfsgebouwen dan wel een groensingel dat deze niet zichtbaar zijn vanuit de woningen van derden. Gelet hierop en op hetgeen in het deskundigenbericht is gesteld, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet voor visuele hinder als gevolg van de opslag van uien behoeft te worden gevreesd.

2.16. Appellanten sub 1 en sub 2 stellen dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kan reeds om die reden niet slagen.

2.17. Voorzover appellanten sub 1 en sub 2 aanvoeren dat de inrichting, gelet op de korte afstand tot de woningen, op een andere locatie gevestigd zou moeten worden, overweegt de Afdeling dat verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol.

2.18. Appellanten sub 2 voeren aan dat door het grote aantal tractor- en vrachtwagenbewegingen van en naar de inrichting verkeersonveilige situaties in de omgeving kunnen ontstaan. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en treft reeds om die reden geen doel.

2.19. Appellanten sub 2 vrezen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet zullen worden nageleefd. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.20. De beroepen, voorzover ontvankelijk, zijn gelet op het voorgaande ongegrond.

2.21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellant sub 1, voorzover het de maatvoering van de vaten voor uien betreft, en het beroep van appellanten sub 2, voorzover het de brandveiligheid betreft, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.J. Overdijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Overdijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

320-361.