Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9204

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200305255/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2002 heeft de gemeenteraad van Ermelo, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 oktober 2002, het bestemmingsplan "Wijziging nr. 11 bestemmingsplan De Driehoek" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 10 juni 2003, kenmerk RE2003.6515, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 7 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 2 september 2003 heeft verweerder meegedeeld dat het beroepschrift geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305255/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2002 heeft de gemeenteraad van Ermelo, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 oktober 2002, het bestemmingsplan "Wijziging nr. 11 bestemmingsplan De Driehoek" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 10 juni 2003, kenmerk RE2003.6515, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 7 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 2 september 2003 heeft verweerder meegedeeld dat het beroepschrift geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. B. Nijman, advocaat te Wageningen,

en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Meulepas, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Namens de gemeenteraad zijn gehoord,

ing. E.J. Bilder, wethouder, en J.P. Zwijnenburg, ambtenaar van de gemeente. Voorts is daar [eerste belanghebbende], vertegenwoordigd door

[gemachtigde], verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant stelt dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd. Hij voert als bezwaar van formele aard aan dat bij de publicatie van het ontwerp-bestemmingsplan ten onrechte niet is vermeld dat bij de gemeenteraad zienswijzen omtrent het ontwerp kenbaar kunnen worden gemaakt. Volgens appellant had verweerder hierin aanleiding moeten zien goedkeuring aan het plan te onthouden.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 27, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dienen zienswijzen omtrent het ontwerp van het bestemmingsplan bij de gemeenteraad kenbaar te worden gemaakt.

Uit de stukken blijkt dat bij de publicatie van het ontwerp is vermeld dat een ieder zijn zienswijze bij het college van burgemeester en wethouders kenbaar kan maken.

De Afdeling acht, mede gelet op de in artikel 2:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen doorzendverplichting van bestuursorganen, door het gebrek in de publicatie geen belangen van derden geschaad. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder hierin aanleiding had moeten zien goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Het plan voorziet in de uitbreiding van gronden met de bestemming “Ambacht en Handel” met de nadere aanduiding “pluimveeslachterij” en de vergroting van het daarbij horende bouwblok.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit het plan goedgekeurd.

2.4. Tegen de goedkeuring van het plan door verweerder voert appellant tevens de volgende beroepsgronden van materiële aard aan. Appellant meent dat de uitbreiding van de pluimveeslachterij visuele hinder en schaduwhinder met zich zal brengen, hetgeen nadelig zal zijn voor de bruikbaarheid van zijn agrarische gronden. In het plan is niet voldaan aan de minimaal in acht te nemen afstanden genoemd in de brochure Bedrijven en Milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (verder: de brochure), aldus appellant. Verder meent hij dat het bestaande bestemmingsplan “De Driehoek” conserverend van aard is en uitbreiding van onder meer de pluimveeslachterij niet toestaat. In dit verband voert appellant aan dat alleen inbreuk op de uitgangspunten van het geldende bestemmingsplan kan worden gemaakt in het geval een nieuw bestemmingsplan in samenhang met een ontwikkelingsvisie voor de hele omgeving wordt gemaakt. Voorts stelt appellant dat geen bedrijfseconomische noodzaak tot de uitbreiding bestaat. Tenslotte vreest appellant voor de gezondheid van zijn veestapel, omdat de slachterij door de uitbreiding dichterbij zijn bedrijf komt.

2.5. De gemeenteraad is van mening dat de uitbreiding van de opslagcapaciteit niet zal leiden tot meer hinder voor woningen in de nabijheid van de gronden van het plan. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 8 oktober 2002 een milieuvergunning afgegeven voor de pluimveeslachterij. Daarnaast stelt hij dat de voorgenomen uitbreiding overeenkomt met de Structuurvisie Ermelo 2015. De gemeenteraad stelt verder dat meer opslagruimte gewenst is om een noodzakelijke kwaliteitsverbetering mogelijk te maken, zoals ook door de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees gesteld. Tenslotte is hij van mening dat, mede gelet op de verlening van de milieuvergunning, het gevaar van het overdragen van ziektekiemen binnen aanvaardbare grenzen blijft.

2.6. Verweerder heeft het bestreden plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat de in het plan voorziene wijziging past in de ontwikkelingsvisie die de gemeente voor het gebied De Driehoek heeft opgesteld. Daarnaast heeft de gemeenteraad volgens verweerder voldoende gemotiveerd aangegeven waarom is afgeweken van de indicatieve afstanden in de brochure. Voorts is verweerder van mening dat de bedrijfsuitbreiding aan de achterzijde van het gebouw geen onaanvaardbare verstoring van het gebied met zich brengt. De beoogde uitbreiding zal de aanvoer van pluimvee niet veranderen. Bovendien is de nieuwe situatie in het kader van de Wet milieubeheer aanvaardbaar geacht aldus verweerder.

2.7. Op grond van de Regeling keuring en handel dierlijke producten in samenhang met de Richtlijn 71/118/EEG, laatstelijk gewijzigd bij de Richtlijn 92/116/EEG van 17 december 1992, voorzover hier van belang, dient het laden en lossen van pluimvee inpandig plaats te vinden.

Uit de stukken is gebleken dat onder meer de opslagcapaciteit van de pluimveeslachterij tekort schiet om te kunnen voldoen aan de hieromtrent gestelde kwaliteitseisen. Het plan maakt uitbreiding van de opslagcapaciteit van het bestaande bedrijfspand mogelijk. Hierdoor kan de pluimveeslachterij op dit punt voldoen aan voornoemde eisen.

De Afdeling is van oordeel dat verweerder reeds hierom in redelijkheid van de noodzaak van de in het plan voorziene uitbreiding heeft kunnen uitgaan.

2.8. Uit de brochure blijkt dat de hierin vermelde afstanden indicatief zijn en slechts bedoeld als hulpmiddel bij het ontwerpen van een bestemmingsplan. Met name bij bestaande bedrijfsvestigingen, zoals hier, zijn de afstanden niet zonder meer geschikt voor onverkorte toepassing.

Hoewel niet wordt voldaan aan de in de brochure genoemde afstand tot de woonbebouwing, heeft verweerder hierin geen aanleiding hoeven te vinden niet in te stemmen met de in het plan voorziene mogelijkheden tot uitbreiding voor de pluimveeslachterij.

Uit de stukken is namelijk gebleken dat de uitbreiding geen nadelige verandering van het karakter van de pluimveeslachterij en de ter plaatse veroorzaakte overlast met zich brengt. De afstand tot de naburige bedrijfswoningen blijft dezelfde. Bovendien maakt de uitbreiding het laden en lossen van pluimvee binnen het bedrijfspand mogelijk.

2.9. De gemeenteraad is bij de voorbereiding van het plan uitgegaan van de Structuurvisie Ermelo 2015, waarbij het gebied de Driehoek is aangewezen als mogelijk te ontwikkelen volwaardig bedrijventerrein. Het plangebied behoort tot het gebied De Driehoek. Het bestemmingsplan past in de structuurvisie.

Appellant heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de in het plan voorziene uitbreiding van gronden met de bestemming “Ambacht en handel” niet past tussen de bestaande bestemmingen in het gebied.

Hetgeen appellant aanvoert omtrent een in dit verband op te stellen ontwikkelingsvisie voor het hele gebied treft geen doel, nu verweerder bij de voorbereiding van zijn besluit de Structuurvisie Ermelo 2015 heeft betrokken, welke de woon- en werkgebieden van Ermelo en omgeving betreft. Voorts heeft verweerder terecht opgemerkt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt.

2.10. Met betrekking tot hetgeen appellant heeft aangevoerd over visuele hinder en schaduwhinder stelt de Afdeling vast dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat een gering deel van de gronden van appellant aan het plangebied grenst.

Gelet op het voorgaande, alsmede op hetgeen is overwogen in 2.9 omtrent blijvende rechten, ziet de Afdeling in hetgeen appellant omtrent genoemde hinder heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder hieraan in redelijkheid overwegende betekenis had moeten toekennen.

2.11. Voorts heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat het gevaar van besmetting van zijn veestapel toeneemt. Verweerder behoefde hieraan dan ook geen overwegende betekenis toe te kennen.

2.12. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op genoemde punten niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het bestreden plan.

Het beroep is ongegrond.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Broekman

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

12-447.