Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN9203

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
03-12-2003
Zaaknummer
200201245/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juli 1998 is namens de Minister van Buitenlandse Zaken legalisatie geweigerd van een door appellante overgelegd uittreksel uit een geboorteregister en een ongehuwdverklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201245/1.

Datum uitspraak: 3 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 17 januari 2002 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 1998 is namens de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) legalisatie geweigerd van een door appellante overgelegd uittreksel uit een geboorteregister (hierna: de geboorteakte) en een ongehuwdverklaring.

Bij besluit van 7 juli 1999 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 januari 2002, verzonden op 24 januari 2002, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 februari 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brieven van 2 april en 5 december 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 30 juli 2002 heeft de minister van antwoord gediend.

Daarbij heeft hij op de voet van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verzocht om ten aanzien van een aantal stukken, die betrekking hebben op het door de Nederlandse ambassade te Accra in Ghana verrichte verificatieonderzoek, toe te staan dat appellante daarvan geen, althans gedeeltelijk geen, kennis kan nemen. Op

14 oktober 2002 heeft de Afdeling in andere samenstelling beslist dat het verzoek gerechtvaardigd is. Bij voormelde brief van 5 december 2002 heeft appellante toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2003, waar de minister, vertegenwoordigd door mrs. I.T.C. Rutjens en E.B. Schluter, beiden ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Legalisatie van de geboorteakte is geweigerd, omdat met betrekking tot ter legalisatie overgelegde documenten uit Ghana overeenkomstig het terzake gevoerde beleid wordt uitgegaan van twijfel aan de juistheid van de inhoud van die documenten en die twijfel niet door middel van schriftelijke, objectieve bronnen is weggenomen.

2.2. Bij een verzoek om legalisatie pleegt de minister bij documenten uit onder meer Ghana de inhoud ervan te verifiëren, alvorens over legalisatie wordt besloten. Dit gebeurt, omdat de ervaring heeft geleerd dat een aanzienlijk deel van de uit dat land afkomstige aangeboden documenten inhoudelijk niet juist is. Op grond van deze ervaring wordt getwijfeld aan de juistheid van de inhoud van zulke documenten. Het is aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat de inhoud ervan deugdelijk is. Deze dient dat in beginsel met uit onafhankelijke, objectieve bronnen afkomstige gegevens te doen. Hierbij kan worden gedacht aan gegevens uit de administratie van een ziekenhuis, school of kerk. Indien de twijfel aan de juistheid van de inhoud van het document of een onderdeel daarvan bij het verificatieonderzoek niet wordt weggenomen, wordt legalisatie geweigerd.

2.3. Voorzover appellante beoogt te betogen dat de aangevallen uitspraak blijk geeft van een onjuist toetsingskader, faalt dit betoog. Zoals de Afdeling eerder (uitspraak van 11 mei 2000 in zaak nr. 199900131/1, AB 2000, 305) heeft overwogen, moet de rechtbank onderzoeken of de minister voldoende duidelijk heeft aangegeven, op welke specifieke punten de twijfel niet is weggenomen.

Het geschil spitste zich in beroep toe op de juistheid van de geboorteplaats die in de ter legalisatie aangeboden geboorteakte is vermeld. De rechtbank heeft met juistheid onderzocht of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de in de geboorteakte vermelde geboorteplaats, [naam], gelet op de verslagen van het verificatieonderzoek en de overige stukken, niet juist is.

2.4. Appellante betoogt voorts dat, samengevat weergegeven, de rechtbank heeft miskend dat de minister legalisatie van de geboorteakte niet heeft mogen weigeren, nu haar geboorteplaats voldoende vaststaat.

2.4.1. Ook dit betoogt faalt. Volgens paragraaf 1.2. van het besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken, genaamd “Beoordeling van documenten uit Ghana, Nigeria, India, Pakistan en de Dominicaanse Republiek”, van 30 augustus 2002 (Stcrt. 5 september 2002, nr. 170, p. 10) bestaat, indien verificatie uitwijst dat de onafhankelijke, objectieve bronnen geen gegevens met betrekking tot de geboorteplaats bevatten, de mogelijkheid dat de juistheid daarvan wordt bevestigd aan de hand van de verklaringen die tijdens het onderzoek door personen uit de directe omgeving van de legalisatieaanvrager zijn afgelegd.

Overeenkomstig dit beleid heeft de minister, toen de juistheid van de geboorteplaats van appellante niet met uit onafhankelijke, objectieve bronnen afkomstige gegevens kon worden bevestigd, getracht aan de hand van verklaringen van enkele familieleden van appellante de geboorteplaats alsnog bevestigd te krijgen. Nu de verklaringen van de familieleden van appellante evenwel een van de in de geboorteakte vermelde afwijkende geboorteplaats noemen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in beginsel aanwezige twijfel omtrent de inhoudelijke juistheid van de geboorteakte van appellante niet is weggenomen. Later door familieleden van appellante afgelegde verklaringen kunnen aan dit oordeel niet afdoen, reeds omdat zij zijn afgelegd, nadat de conclusies van het verificatieonderzoek aan appellante waren medegedeeld.

2.5. Het betoog van appellante dat de rechtbank ten onrechte ongemotiveerd is voorbijgegaan aan haar betwisting van de verklaring van [partij] faalt evenzeer. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat, gelet op de overige afgelegde verklaringen, de verklaring van [partij] dat appellante in [naam] is geboren op zichzelf de twijfel over de in de geboorteakte vermelde geboorteplaats niet kan doen wegnemen.

2.6. Appellante betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de bij het verificatieonderzoek in Ghana afgelegde verklaringen van familieleden ten onrechte wel als bewijs voor de inhoudelijke onjuistheid van de door haar aangeboden documenten zijn gebruikt, waar de door haar overgelegde getuigenverklaringen niet als genoegzaam tegenbewijs zijn aangemerkt.

Het betoog gaat er aan voorbij dat het aan appellante was om de aanwezige twijfel aan de juistheid van de inhoud van de ter legalisatie overgelegde documenten weg te nemen aan de hand van schriftelijke, objectieve bronnen, niet aan de minister om de onjuistheid van die inhoud aannemelijk te maken.

2.7. Het betoog van appellante dat aan de totstandkoming van de verklaring van haar moeder van 9 juni 1998 gebreken kleven faalt evenzeer. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat het feit dat de verklaringen van de moeder van 17 augustus 1998 en

14 mei 1999 in de Fante taal voor een notaris zijn afgelegd en de verklaring van 9 juni 1998 door de onderzoeker van de ambassade in het Engels is opgesteld, er niet aan afdoet dat de verklaring van de moeder van

17 augustus 1998 in strijd is met hetgeen zij eerder heeft verklaard en zij niet duidelijk heeft gemaakt, waarom zij verschillende verklaringen heeft afgelegd.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Glerum

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003

273-438.