Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN8883

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2003
Datum publicatie
25-11-2003
Zaaknummer
200304902/1 en 200304902/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juni 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een grondverzet- en loonbedrijf, gelegen op het perceel plaatselijk bekend [locatie] (ong.) te [plaats], kadastraal bekend gemeente Groessen en Loo, sectie […], nummers […] (ged.). Dit besluit is op 19 juni 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304902/1 en 200304902/2.

Datum uitspraak: 19 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

de stichting "Stichting Milieuvrienden Duiven", gevestigd te Duiven en anderen,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Duiven,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een grondverzet- en loonbedrijf, gelegen op het perceel plaatselijk bekend [locatie] (ong.) te [plaats], kadastraal bekend gemeente Groessen en Loo, sectie […], nummers […] (ged.). Dit besluit is op 19 juni 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 15 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 augustus 2003. Bij brief van 15 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2003, hebben appellanten de Voorzitter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 19 september 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2003. Appellanten zijn vertegenwoordigd door [gemachtigde]. Verweerder is vertegenwoordigd door ing. P.F.B. de Weijer, ambtenaar van de gemeente. Namens [vergunninghouder] is het woord gevoerd door E.D. van Tellingen, advocaat te Apeldoorn.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Buiten bezwaren van partijen zijn nadere stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Verweerder heeft gesteld dat het beroep van appellanten terzake de opgave van het waterverbruik in de inrichting niet-ontvankelijk is, omdat daarover geen bedenkingen zijn ingebracht tegen het ontwerp-besluit.

2.2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

2.2.2. Appellanten hebben omtrent de opgave van het waterverbruik in de aanvraag geen bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Deze beroepsgrond vindt daarnaast geen grondslag in de bedenking met betrekking tot wateroverlast. Verder is het bepaalde onder b en c niet van toepassing. Van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit is niet gebleken. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep wat het waterverbruik betreft niet-ontvankelijk is.

2.3. Appellanten stellen zich op het standpunt dat de verhouding tussen de omvang van de grondverzetactiviteiten en de agrarische activiteiten niet duidelijk is en dat terzake nader onderzoek is vereist. Volgens appellanten is in de vergunning ten onrechte niet vastgelegd dat, in overeenstemming met het bestemmingsplan, de grondverzetactiviteiten ondergeschikt dienen te zijn aan de agrarische activiteiten.

2.3.1. De activiteiten van de inrichting zijn weergegeven in de aanvraag. Verweerder heeft de milieugevolgen beoordeeld van hetgeen is aangevraagd. In vergunningvoorschrift 1.1.1.1 is bepaald dat de inrichting overeenkomstig de aanvraag in werking dient te zijn. Aldus is duidelijk wat is aangevraagd en wat is vergund. Of die activiteiten zijn aan te merken als grondverzet- of als agrarische activiteiten, is in het kader van deze vergunning ingevolge de Wet milieubeheer niet van belang.

2.4. Appellanten stellen zich op het standpunt dat het af- en aanrijden van de zware voertuigen van de inrichting onaanvaardbare geluidoverlast en trillinghinder zal veroorzaken. Volgens hen heeft verweerder miskend dat die hinderaspecten tot op grote afstand aan de inrichting zijn toe te rekenen, nu het een landelijke omgeving betreft met weinig verkeer en smalle wegen die ongeschikt zijn voor zware voertuigen.

2.4.1. Verweerder heeft het geluid van verkeer van en naar de inrichting getoetst aan de circulaire “Geluidhinder veroorzaak door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer” van 29 februari 1996. Daarbij is hij er van uit gegaan dat verkeer van en naar de inrichting is opgenomen in het heersende verkeersbeeld indien het zich door zijn snelheid en zijn stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betreffende weg kan bevinden. Die uitleg acht de Voorzitter juist. Dat er in de omgeving van de inrichting nauwelijks wegverkeer is en dat die zware voertuigen tot op grote afstand akoestisch herkenbaar zijn, doet hieraan niet af. De geluidbelasting ter plaatse van de aldus in aanmerking te nemen woningen van derden komt niet uit boven de waarden uit de genoemde circulaire. Dit aspect staat dan ook niet aan vergunningverlening in de weg.

2.4.2. Wegens het ontbreken van een afzonderlijk toetsingkader voor het toerekenen van trillingen van het verkeer van en naar de inrichting aan het in werking zijn van de inrichting is verweerder bij de beoordeling van dat aspect uitgegaan van de hiervoor genoemde circulaire. Aldus is verweerder er vanuit gegaan dat trillingen ter plaatse van woningen als gevolg van het verkeer van en naar de inrichting niet aan de werking van de inrichting zijn toe te rekenen indien het is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat de weg waaraan de inrichting is gelegen zeer recent is geasfalteerd en in die staat zonder meer geschikt moet worden geacht voor het inrichtingsverkeer. Volgens verweerder veroorzaakt het op deze wijze nog aan de inrichting toe te rekenen verkeer buiten de inrichting geen schade aan woningen van derden en aan wegen. De Voorzitter acht niet onredelijk dat de indirecte gevolgen van het in werking zijn van de inrichting ook op dit punt in aanmerking zijn genomen tot het moment waarop het verkeer van en naar de inrichting zich door snelheid en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betreffende weg kan bevinden. Verweerder heeft zich ook wat dit betreft terecht op het standpunt gesteld dat de gevolgen van het verkeer van en naar de inrichting niet aan het verlenen van de vergunning in de weg staan.

2.5. Volgens appellanten is het niet uitgesloten dat door de werking van de inrichting het equivalente geluidniveau van 40 dB(A) in het nabij gelegen stiltegebied “Weide Oude Rijnstrangen” wordt overschreden.

2.5.1. Ingevolge voorschrift 1.6.1.1 bedraagt de geluidgrenswaarde ter plaatse van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen 40 dB(A) etmaalwaarde.

2.5.2. Volgens verweerder is, uitgaande van een berekende geluidbelasting van 31 dB(A) op de [woning], gewaarborgd dat in het stiltegebied de geluidgrenswaarde niet zal worden overschreden. Appellanten hebben dit als zodanig niet betwist. De Voorzitter gaat er daarom van uit dat, daargelaten of het stiltegebied als een geluidgevoelig object moet worden aangemerkt, de geluidbelasting in dat gebied vanwege de inrichting niet aan het verlenen van de vergunning in de weg kan staan.

2.6. Appellanten stellen zich op het standpunt dat de terrreinverlichting van de inrichting hinderlijk is voor de fauna in het nabij gelegen stiltegebied “Weide Oude Rijnstrangen”.

2.6.1. Gezien de stukken gaat de Voorzitter er van uit dat de betreffende verlichting bestaat uit een drietal TL-balken, die ten dele door bebouwing op het terrein van de inrichting worden afgeschermd van het op meer dan 100 meter afstand gelegen stiltegebied en dat tussen de inrichting en dat gebied straatlantarens aanwezig zijn op de Ooysebrug. Uitgaande van die feiten is de Voorzitter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ter bescherming van het nachtelijk duister geen beperkingen nodig zijn ten aanzien van de aangevraagde verlichting.

2.7. Appellanten stellen zich op het standpunt dat gewasschade dreigt als gevolg van het stuiven van zand en/of het vrijkomen van dieseldampen. Volgens hen heeft verweerder hieromtrent onvoldoende onderzoek verricht.

2.7.1. De voorschriften 1.4.1.1, tot en met 1.4.1.7 zijn aan de vergunning verbonden onder meer ter voorkoming, dan wel beperking van de verstuiving van zand, grond, grint en split. Hoofdstuk 1.9 van de vergunningvoorschriften bevat bepalingen over onder meer opslag van afvalstoffen. Omdat verstuiving aldus slechts beperkt mogelijk is, is de Voorzitter met verweerder van oordeel dat de kans dat daardoor gewasschade optreedt onwaarschijnlijk is. Hetgeen over de schadelijkheid van de uitstoot van dieseldampen is aangevoerd biedt de Voorzitter geen aanknopingspunten om aan te nemen dat verweerder in dit niet had kunnen afzien van een onderzoek naar gewasschade.

2.8. Volgens appellanten leveren de gebouwen van de inrichting, die een maximale goothoogte hebben van 2,50 meter, ontsiering van het landschap op.

2.8.1. Met verweerder is de Voorzitter van oordeel dat de inpasbaarheid van de inrichting in de omgeving primair een planologisch aspect is en dat er vanuit milieu-oogpunt geen aanleiding is de vergunning vanwege dit aspect te weigeren of daaraan voorschriften en/of beperkingen te verbinden.

2.9. Hetgeen overigens is aangevoerd leidt de Voorzitter, gezien de overwegingen van het bestreden besluit en hetgeen in het verweerschrift is gesteld, geen aanleiding tot (gedeeltelijke) gegrondverklaring van het beroep. Concluderend is de Voorzitter van oordeel dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Gelet hierop ziet de Voorzitter tevens aanleiding om het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep inzake het waterverbruik niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

III. wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2003

157.