Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN8882

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-11-2003
Datum publicatie
25-11-2003
Zaaknummer
200304814/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2002 heeft de gemeenteraad van Zeist het bestemmingsplan "Zeist West 2002" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304814/2.

Datum uitspraak: 21 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

Werkgroep Natuurlijk Zeist-West, gevestigd te Zeist,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2002 heeft de gemeenteraad van Zeist het bestemmingsplan "Zeist West 2002" vastgesteld.

Bij besluit van 3 juni 2003, nr. 2003REG001253i, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit heeft onder meer verzoekster bij brief van 31 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 31 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 oktober 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door ing. G.J. Jaspers, ambtenaar bij de provincie, zijn verschenen. Namens het gemeentebestuur van Zeist zijn mr. H.S. Weeda en P.J.M. Vermeulen, ambtenaren bij de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het bestemmingsplan heeft betrekking op het zuidwestelijke deel van de bebouwde kom van Zeist. Het plangebied beslaat de woonwijken Couwenhoven, Brugakker, Vogelwijk, de Clomp, Griffensteijn, Crosestein, Nijenheim en de Utrechtseweg. Met het plan is beoogd de huidige planologische regelingen voor het gebied te actualiseren.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan gedeeltelijk goedgekeurd.

2.3. Verzoekster kan zich niet met dit besluit verenigen, op de in haar beroepschrift aangegeven gronden. Zij heeft aangevoerd dat het plan in een aantal kwetsbare gebieden bebouwing mogelijk maakt. Zij vreest dat deze bebouwing reeds vóór de behandeling van de hoofdzaak zal worden opgericht. Daarom heeft zij de Voorzitter gevraagd het bestreden besluit op deze onderdelen te schorsen.

2.4. In de eerste plaats vraagt verzoekster schorsing van het bestreden besluit, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de bestemming “Maatschappelijke doeleinden” voor het perceel [locatie 1]. Het plan biedt de mogelijkheid op dit perceel bijgebouwen op te richten in de zone die volgens verzoekster moet worden bestemd voor groendoeleinden met landschappelijke waarden.

2.4.1. Op grond van artikel 8, tweede lid, onder c, van de planvoorschriften zijn op het perceel ondergeschikte gebouwen buiten het bebouwingsvlak toegestaan tot een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 50 m2 en een goothoogte van maximaal 3 meter.

2.4.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat inmiddels een bouwvergunning bij het gemeentebestuur van Zeist is aangevraagd voor de bouw van een berging op het perceel. Verzoekster heeft vermeld dat zij geen bezwaar heeft tegen het ingediende bouwplan, mits de berging op de aangevraagde plaats wordt gebouwd en mits deze in de omgeving wordt ingepast op de wijze die is aangegeven op de bij de aanvraag ingediende schets.

De Voorzitter overweegt dat deze aspecten aan de orde kunnen komen in de procedure met betrekking tot de verlening van de bouwvergunning. Daarbij merkt de Voorzitter op dat hij gezien het verhandelde ter zitting geen aanwijzingen heeft dat de bouwaanvraag op de genoemde punten zal worden gewijzigd. Verder overweegt de Voorzitter dat op het perceel – gelet op de oppervlakte van de aangevraagde berging in relatie tot artikel 8, tweede lid, onder c, van de planvoorschriften – geen andere bijgebouwen meer kunnen worden gebouwd.

2.4.3. Gezien het vorenstaande is de Voorzitter van oordeel dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening op dit onderdeel. Dit betekent dat het verzoek in zoverre dient te worden afgewezen.

2.5. In de tweede plaats vraagt verzoekster schorsing van het bestreden besluit, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de bestemming “Kantoordoeleinden” voor het perceel [locatie 2] (PGGM-terrein).

Verzoekster stelt dat het plan uitbreiding van het kantoorgebouw en bijbehorende functies mogelijk maakt. Zij acht dit ongewenst omdat de huidige ontsluiting van het terrein aan de grenzen van haar capaciteit is.

Verzoekster meent daarom dat uitsluitend de bestaande bebouwing als zodanig had moeten worden bestemd.

2.5.1. Verweerder heeft overwogen dat de mogelijke toekomstplannen van PGGM niet in dit bestemmingsplan zijn verwerkt. Indien PGGM gaat uitbreiden, waardoor wellicht ook een andere ontsluiting noodzakelijk is, zullen nieuwe procedures moeten worden gevolgd, aldus verweerder.

2.5.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat PGGM plannen heeft voor een grootschalige uitbreiding van de bebouwing, waarbij het PGGM-terrein op een andere wijze wordt ingericht. Met het oog op deze uitbreiding heeft PGGM een structuurvisie opgesteld, die – zo is ter zitting vermeld – inmiddels onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. In dat kader staan voor verzoekster rechtsmiddelen open.

Het bestreden plan biedt weliswaar de mogelijkheid de bestaande bebouwing op het terrein uit te breiden, maar maakt de door PGGM gewenste grootschalige uitbreiding niet mogelijk. Gelet hierop ziet de Voorzitter geen aanleiding voor de verwachting dat PGGM gebruik zal maken van de uitbreidingsmogelijkheden die dit plan biedt.

2.5.3. Gelet hierop is de Voorzitter van oordeel dat verzoekster op dit punt geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek dient derhalve in zoverre te worden afgewezen.

2.6. Vervolgens vraagt verzoekster schorsing van het bestreden besluit, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de bestemming “Horecadoeleinden” voor het perceel op de hoek van de Ridderschapslaan en de Philips van Bourgondiëlaan. Verzoekster heeft geen bezwaar tegen de snackbar die ter plaatse aanwezig is, maar wel tegen de uitbouw daarvan tot bijvoorbeeld een café met terras. Daarbij heeft zij opgemerkt dat het perceel ligt in een kwetsbaar gebied.

2.6.1. Verweerder heeft overwogen dat het perceel ligt langs een oude structuur, namelijk de Biltse en Zeister Grift. Dit is tot uitdrukking gebracht in de omringende bestemming “Groen met landschappelijke waarde”.

Volgens verweerder kan er echter niet aan worden voorbijgegaan dat het hier een reeds langer bestaande situatie betreft. Mede in verband hiermee acht hij een beperkte uitbreiding tot 60 m2 uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet onaanvaardbaar.

2.6.2. In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd, ziet de Voorzitter geen grond voor het oordeel dat dit standpunt van verweerder onredelijk is. Daarbij neemt de Voorzitter in aanmerking dat de huidige snackbar blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting reeds 37 jaar op deze plaats is gevestigd. Verder is ter zitting vermeld dat voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op de omringende wegen.

Voorzover verzoekster stelt dat de snackbar moet worden verplaatst naar een andere plek, overweegt de Voorzitter dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan een bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de Voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.6.3. Gelet op het vorenstaande heeft de Voorzitter, alles in aanmerking genomen, niet de verwachting dat het goedkeuringsbesluit wat dit onderdeel betreft in de hoofdzaak niet in stand zal blijven. De Voorzitter ziet dan ook geen aanleiding het bestreden besluit op dit punt te schorsen.

Het verzoek dient derhalve in zoverre te worden afgewezen.

2.7. Ook heeft verzoekster gevraagd het bestreden besluit te schorsen, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de bestemming “Recreatieve doeleinden” voor het perceel aan de zuidzijde van het De Pesterspark. Verzoekster stelt dat het plan ten onrechte de mogelijkheid biedt op dit perceel twee gebouwen op te richten. Volgens verzoekster zijn gebouwen op deze waardevolle plek niet passend.

2.7.1. Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden die zijn aangewezen voor recreatieve doeleinden bestemd voor recreatieve voorzieningen in de vorm van spel- en speelvoorzieningen, een en ander met de daarbij behorende bebouwing en voorzieningen.

Op grond van het tweede lid van dit artikel mogen op de tot recreatieve doeleinden bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat – voorzover hier van belang – per bestemmingsvlak ten hoogste twee gebouwen mogen worden gerealiseerd, waarbij de oppervlakte van een gebouw ten hoogste 50 m2 mag bedragen.

2.7.2. Blijkens het verhandelde ter zitting is het desbetreffende perceel eigendom van de gemeente Zeist. Dit perceel – dat samen met de omringende parkeerplaatsen verdiept ligt ten opzichte van de woonbebouwing in de omgeving – is ingericht als een verhard speelveld zonder bebouwing.

Ter zitting is evenwel gebleken dat het gemeentebestuur niet voornemens is ter plaatse bebouwing op te richten. De bouwmogelijkheid is volgens zijn vertegenwoordiger uitsluitend uit een oogpunt van flexibiliteit in het plan opgenomen. Daarbij heeft hij vermeld dat ook het vorige plan reeds de mogelijkheid bood ter plaatse bebouwing op te richten.

2.7.3. Gezien het vorenstaande is de Voorzitter van oordeel dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening op dit onderdeel. Dit betekent dat het verzoek in zoverre dient te worden afgewezen.

2.8. Ten slotte vraagt verzoekster schorsing van het bestreden besluit, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de bestemming “Woondoeleinden” die is toegekend aan de strook groen achter de woningen aan de Waterigeweg. Deze groenstrook speelt volgens verzoekster een belangrijke rol voor de beleving van de locatie. Zij meent dan ook dat de groenstrook moet worden bestemd voor groendoeleinden met landschappelijke waarden.

2.8.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het hier gaat om een smalle strook grond waarop thans opgaande beplanting aanwezig is. Aan deze strook, die wordt gebruikt als openbaar plantsoen en als uitlaatplaats voor honden, is in het plan de bestemming “Woondoeleinden” toegekend, zonder de aanduiding “gebied aan- en bijgebouwen toegestaan”.

Verweerder heeft overwogen dat deze strook grond in het Groenbeheersplan Zeist-West, dat op 12 juni 1995 door de gemeenteraad is vastgesteld, niet is aangemerkt als te handhaven structureel groen. Dit betekent dat het groen in principe kan worden afgestoten en bij de tuin of het erf van de omringende woningen kan worden betrokken. Dat in de toekomst rondom de nieuwe particuliere eigendom wellicht afscheidingen worden geplaatst, acht verweerder niet onaanvaardbaar, gelet op de situatie ter plaatse.

2.8.2. In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd, ziet de Voorzitter geen grond voor het oordeel dat dit standpunt van verweerder onredelijk is. Daarbij neemt hij in aanmerking dat de desbetreffende strook grond ligt in het binnenstedelijke gebied. Verder merkt de Voorzitter nog op dat het oprichten van gebouwen, behoudens bouwvergunningsvrije bouwwerken, op deze strook grond niet is toegestaan.

2.8.3. Gelet op het vorenstaande heeft de Voorzitter, alles in aanmerking genomen, niet de verwachting dat het goedkeuringsbesluit op dit punt in de hoofdzaak niet in stand zal blijven. In verband hiermee ziet de Voorzitter geen aanleiding het bestreden besluit op dit punt te schorsen. Dit betekent dat het verzoek ook op dit onderdeel moet worden afgewezen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Breunese-van Goor

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2003

208.