Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN8861

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2003
Datum publicatie
25-11-2003
Zaaknummer
200306845/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 september 2003, kenmerk MB/03.030720/A, heeft verweerder besloten bestuursdwang als geregeld in afdeling 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht toe te passen terzake het door verzoeker zonder vergunning ontrekken van grondwater op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306845/1.

Datum uitspraak: 18 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van

de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Flevoland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2003, kenmerk MB/03.030720/A, heeft verweerder besloten bestuursdwang als geregeld in afdeling 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht toe te passen terzake het door verzoeker zonder vergunning ontrekken van grondwater op het perceel [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Bij brief van 1 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 16 oktober 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 november 2003. Verzoeker is daar vertegenwoordigd door mr. M.A. De Oude, advocaat te Amsterdam. Verweerder is daar vertegenwoordigd door mr. A. ten Veen, advocaat te Amsterdam.

Buiten bezwaren van partijen zijn nadere stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Als vaststaand neemt de Voorzitter aan dat verzoeker ter plaatse grondwater onttrekt zonder daarvoor ingevolge de Grondwaterwet vereiste vergunning. Verweerder was dan ook bevoegd om daartegen met bestuurlijke handhavingsmiddelen op te treden. Gezien het provinciale waterbeleid, dat de Voorzitter niet kennelijk onredelijk acht, moet ervan worden uitgegaan dat legalisering van deze onttrekking niet mogelijk is. Het verzoek spitst zich dan ook toe op de redelijkheid van de duur van de aan de dwangsom verbonden begunstigingstermijn (zes maanden).

2.2. Verzoeker voert aan dat de begunstigingstermijn te kort is om een alternatief te vinden voor de watervoorziening ten behoeve van veedrenking, nu blijkens uitlatingen van de watermaatschappij 16 maanden nodig is om in de watervoorziening van alle betrokken agrariërs te voorzien. Daarbij voert hij aan dat verweerder ten onrechte onderscheid heeft gemaakt tussen degenen die zonder vergunning water onttrekken en degenen van wie de vergunning wordt ingetrokken, nu aan die laatst genoemde groep een termijn is vergund van 16 maanden. Volgens hem klemt dit alles te meer nu de onttrekking al vele jaren is gedoogd.

2.3. De Voorzitter stelt vast dat het beleid van verweerder er op gericht is - kort gezegd - dat niet tot beëindiging wordt overgegaan zonder dat er een redelijk alternatief voor de grondwateronttrekking is. In het licht daarvan valt verweerder niet tegen te werpen dat hij niet tot beëindiging van deze illegale onttrekking heeft besloten voordat de alternatieven op bedrijfsniveau voor de grondwateronttrekkingen uit het derde watervoerend pakket door agrarische bedrijven nader waren uitgewerkt. Onder meer op grond van de brief van de waterleidingmaatschappij van 6 november 2003 neemt de Voorzitter aan dat voor verzoeker binnen zes maanden redelijke alternatieven beschikbaar zijn. Die termijn acht de Voorzitter daarom niet in strijd met artikel 5:24, vierde lid, Awb, op grond waarvan een begunstigingstermijn slechts lang genoeg dient te zijn om de overtreding te beëindigen.

Het beëindigen van een illegale onttrekking is niet hetzelfde als het intrekken van een onttrekkingsvergunning, zodat er wat de door verzoeker aangevoerde vergelijking met de behandeling van vergunninghouders betreft geen sprake is van gelijke gevallen. De Voorzitter ziet in hetgeen aangevoerd is ook anderszins geen redenen om aan te nemen dat deze gevallen wat de termijn betreft niettemin op een lijn moeten worden gesteld. Daarbij merkt de Voorzitter op dat ter zitting door verweerder uitdrukkelijk is gesteld dat de termijn van 16 maanden noodzakelijk is om alle huidige vergunninghouders een alternatief te bieden na de intrekking van hun vergunningen, doch dat die lange termijn niet is vereist om de enkele illegale onttrekkers een alternatief te bieden.

2.4. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2003

157.