Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN8852

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2003
Datum publicatie
26-11-2003
Zaaknummer
200301546/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2002 heeft de gemeenteraad van Barendrecht, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 juni 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Riederhoek".

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 36l
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/391
OGR-Updates.nl 1000687
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301546/1.

Datum uitspraak: 26 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2002 heeft de gemeenteraad van Barendrecht, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 juni 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Riederhoek".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 28 januari 2003,

kenmerk DRM/ARB/02/6538A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 7 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 12 maart 2003, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 5 augustus 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2003, waar appellante, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.J. Molenwijk, ambtenaar bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Barendrecht, vertegenwoordigd door mr. H. Gerritsen en ir. H.H. Lievaart, ambtenaren bij de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan heeft betrekking op gronden tussen de Voordijk en de Middeldijk en voorziet in een nieuw woongebied voor 530 tot 570 woningen. Verweerder heeft bij zijn bestreden besluit het plan goedgekeurd.

2.3. Appellante stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij voert aan dat de lintzone, aangeduid met “Voordijkzone Zuid”, in strijd met het door de regioraad van de Stadsregio Rotterdam op 14 oktober 1998 vastgestelde Regionaal Structuurplan Midden-IJsselmonde (verder: het RSP) niet over de gehele lengte daarvan 125 meter bedraagt. Voorts vreest zij voor een te hoge bebouwingsdichtheid binnen de lintzone hetgeen eveneens in strijd is met het RSP. Verder voert appellante aan dat de inrichting van de lintzone in strijd is met het RSP.

2.3.1. Verweerder heeft aangegeven dat het plan voldoet aan het RSP en het besluit van de regioraad van de Stadsregio Rotterdam van 20 juni 2001.

2.3.2. Ingevolge artikel 36l, eerste lid, van de WRO dienen gedeputeerde staten, indien voor het gebied begrepen in een regionaal structuurplan een bestemmingsplan is vastgesteld en dit aan de goedkeuring van gedeputeerde staten wordt onderworpen, bij hun besluit omtrent de goedkeuring van dat bestemmingsplan rekening te houden met het regionaal structuurplan. Ingevolge artikel 36l, tweede lid, van de WRO, voorzover hier relevant, vragen gedeputeerde staten voorzover het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, in strijd is met het regionaal structuurplan, het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam om advies.

Het beleid ten aanzien van de gronden waar het bestemmingsplan betrekking op heeft, is onder meer neergelegd in het genoemde RSP.

Volgens het RSP beschrijven de plankaart en de toelichting samen de hoofdplanelementen die voor de uitwerking in bestemmingsplannen als essentieel worden aangemerkt. Onbestreden is dat het RSP voor wat betreft het deel van de lintzone dat ten zuiden van de Voordijk ligt, uitgaat van een breedte van 125 meter gemeten vanaf het midden van de Voordijk.

In het RSP wordt, voorzover hier relevant, ten aanzien van het interne hoofdplanelement “Linten” overwogen dat de binnen de bouwlocatie aanwezige linten worden beschouwd als kwaliteitsdragers voor het plan. Om die reden wordt als essentieel geacht het handhaven van de bestaande lintstructuren en waar mogelijk versterking daarvan. Dit beleid is van toepassing op het volgende planonderdeel: het handhaven en versterken van de aanwezige karakteristieke bebouwing en beplanting aan de Voordijk door zowel aan de noordzijde als de zuidzijde de onbebouwde percelen te bestemmen voor de bouw van vrijstaande woningen (villakavels) met een gemiddelde bruto dichtheid van 16 woningen per hectare of per eenheid bouwvolume daarmee gelijk te stellen gebouwen voor voorzieningen.

Ingevolge artikel 4, derde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voorzover hier relevant, moet het college van burgemeester en wethouders het tot “Woongebied (ex artikel 11 W.R.O.)“ bestemde gedeelte van het plan uitwerken met inachtneming van de regel dat ter plaatse waar op de plankaart de aanduiding “Voordijkzone Zuid” voorkomt, het bruto aantal woningen per hectare ten hoogste 16 mag bedragen. Voorts is het gemeentelijk beleid blijkens de notities “Voordijk Zuid, de dichtheid in de lintzone” en “Voordijk Noord, De lintzone: begrenzing en dichtheid” erop gericht dat het bruto aantal woningen per hectare binnen de gehele lintzone ten hoogste 16 zal bedragen.

Gelet hierop wordt ten aanzien van de bebouwingsdichtheid binnen de gehele lintzone in overeenstemming met het RSP gehandeld.

Blijkens de bestemmingsplankaart bedraagt de breedte van het deel van de lintzone dat ten zuiden van de Voordijk ligt ongeveer 70 tot 116 meter gemeten vanaf het midden van de Voordijk, hetgeen in strijd is met het RSP. Voorts volgt uit het bepaalde in artikel 4, derde lid, onder b, van de voorschriften van het bestemmingsplan dat de gronden waaraan de aanduiding “Voordijkzone Zuid” is toegekend en die tevens zijn bestemd als “Woongebied (ex artikel 11 W.R.O.)“, niet slechts voor vrijstaande woningen, maar in strijd met het RSP ook voor aaneengesloten eengezinswoningen, twee-onder-één kap woningen en meergezinswoningen zijn bestemd. Ten aanzien van genoemde punten waarop het bestemmingsplan in strijd is met het RSP, had het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland het dagelijks bestuur van de Stadsregio Rotterdam om een advies als bedoeld in artikel 36l, tweede lid, van de WRO moeten vragen, hetgeen niet is geschied. Het standpunt van verweerder dat gelet op het besluit van de regioraad van de Stadsregio Rotterdam van 20 juni 2001 een zodanig advies niet behoefde te worden gevraagd, volgt de Afdeling niet. Dit besluit kan niet aangemerkt worden als een aan verweerder uitgebracht advies. Bovendien wijst de Afdeling erop dat genoemd besluit geen betrekking heeft op de vraag hoe verder gehandeld zou moeten worden uitgaande van de strijdigheid van dit bestemmingsplan met het RSP.

Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 36l, tweede lid, van de WRO. Het beroep is gelet hierop gegrond en het bestreden besluit dient wegens strijd met de genoemde bepaling te worden vernietigd.

2.4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 28 januari 2003, kenmerk DRM/ARB/02/6538A;

III. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. Vis, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Vis w.g. Kooijman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2003

177-418.