Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN8850

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2003
Datum publicatie
26-11-2003
Zaaknummer
200301851/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2002 heeft de gemeenteraad van Ede, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 juni 2002, het bestemmingsplan "Agrarische Buitengebied omgeving Doesburgerdijk Noord" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 28 januari 2003, kenmerk RE2002.75031, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 26 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2003, beroep ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301851/1.

Datum uitspraak: 26 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten]., wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2002 heeft de gemeenteraad van Ede, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 juni 2002, het bestemmingsplan "Agrarische Buitengebied omgeving Doesburgerdijk Noord" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 28 januari 2003, kenmerk RE2002.75031, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 26 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 29 april 2003 heeft verweerder meegedeeld dat het beroepschrift geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 23 juli 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2003, waar appellanten in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.H. Meijer, advocaat te Apeldoorn, zijn verschenen.

Voorts is de gemeenteraad, vertegenwoordigd door W. IJzerman, ambtenaar bij de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan, voor zover hier van belang, voorziet in het bevriezen van de bouwmogelijkheden van het bedrijf gelegen aan de [locatie] ten noordwesten van de wijk Kernhem in Ede. Dit plan houdt een partiële herziening in van de voorschriften van het ter plaatse van kracht zijnde bestemmingsplan “Agrarisch Buitengebied“.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan in zoverre goedgekeurd.

2.3. Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover het niet voorziet in de mogelijkheid de bestaande bebouwing uit te breiden met gebouwen voor activiteiten die geen stankhinder veroorzaken. Daarnaast voeren appellanten aan dat, gelet op het huidige vergunde aantal mestvarkeneenheden nog uitbreiding van bebouwing ten behoeve van vee mogelijk is zonder aantasting van een goed woon- en leefklimaat in de wijk Kernhem. Voorts menen appellanten dat bestaande bedrijfsactiviteiten, met name opslag van elders geteelde producten, ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd dan wel niet zijn opgenomen in de doeleindenbeschrijving.

2.4. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat op het perceel van appellanten niet meer gebouwd mag worden, omdat aanzienlijke groei van het aantal stankproducerende dieren op het bedrijf van appellanten de ontwikkeling van de nabijgelegen wijk Kernhem negatief zal beïnvloeden. Ook worden de bebouwingsmogelijkheden bevroren voor de op- en overslag van akkerbouw- en fruitteeltproducten en bijhorende machines, nu het hier gaat om niet-agrarische activiteiten op een agrarisch bouwblok.

2.5. Verweerder heeft geen reden gezien het plan, voor zover hier van belang, in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Hij stelt zich daarbij met de gemeenteraad op het standpunt dat het plan een al vergunde uitbreiding van 480 vierkante meter stalruimte mogelijk maakt. Voorts is verweerder van mening dat een volledige benutting door appellanten van de uitbreidingsmogelijkheden volgens de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996, de brochure Veehouderij en Hinderwet 1985 en het VROM-rapport “Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderijen” (hierna: het VROM-rapport) ontoelaatbaar is.

2.6. Ingevolge artikel 1, onder o, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Agrarisch Buitengebied”, wordt onder een agrarisch bedrijf verstaan:

”een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder bomen en heesters begrepen en/of het houden van dieren”.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de met de bestemming “Agrarisch ontginningslandschap Ede-Meulunteren” op de plankaart aangegeven gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

Ingevolge het bij het plan herziene artikel 5, derde lid, onder b, van de voorschriften, voor zover hier van belang, mag ten behoeve van de uitoefening van het agrarische bedrijf van appellanten de oppervlaktebebouwing binnen het als zodanig aangegeven bouwvlak niet meer bedragen dan 2235 vierkante meter.

2.6.1. Appellanten hebben genoemde maximaal toegestane bebouwingsmogelijkheden volledig benut. Uit het bestreden besluit blijkt echter niet dat toepassing van de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996, de brochure Veehouderij en Hinderwet 1985 en het VROM-rapport noopt tot het terugbrengen van de maximale omvang van de te bebouwen oppervlakte met meer dan de helft, van 5000 vierkante meter onder het bestemmingsplan “Agrarisch Buitengebied” zoals dat vóór de herziening luidde, tot 2235 vierkante meter onder het herziene plan.

Het had op de weg van verweerder gelegen hierop in het bestreden besluit nader in te gaan, te meer daar appellanten te kennen hebben gegeven de bestaande bebouwing te willen uitbreiden met bedrijfsactiviteiten die geen stankhinder veroorzaken. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het daarbij gaat om opslag van producten, die weliswaar buiten de gemeente Ede, maar binnen de bedrijfsvoering van appellanten worden geteeld.

De Afdeling stelt vast dat artikel 1, onder o, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Agrarisch Buitengebied” niet in de weg staat aan deze agrarische bedrijfsactiviteiten.

Verder is niet gebleken dat de bebouwingsuitbreiding, die appellanten voor ogen staat, is bedoeld voor de stalling van andere machines dan die welke voor de agrarische activiteiten van appellanten worden gebruikt.

Verweerder heeft in het bestreden besluit hieraan geen aandacht besteed.

Uit de motivering van het bestreden besluit is evenmin gebleken of, en zo ja in hoeverre, de niet-agrarische activiteiten, die reeds jaren op het perceel van appellanten plaatsvinden, zijn te begrijpen onder de tot de bestemming “Agrarisch ontginningslandschap Ede-Meulunteren” toegestane doeleinden, die niet tot het hoofddoel – uitoefening van het agrarisch bedrijf - behoren.

2.7. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van appellanten is gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming “Agrarisch ontginningslandschap Ede-Meulunteren” en de aanduidingen “agrarisch bedrijf” en “volgnummer 1”, wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

De overige beroepsgronden van appellanten behoeven geen bespreking meer.

2.8. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 28 januari 2003, kenmerk RE2002.75031, voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming “Agrarisch ontginningslandschap Ede-Meulunteren” en de aanduidingen “agrarisch bedrijf” en “volgnummer 1”;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de provincie Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van

mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Broekman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2003

12-447.