Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN8829

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2003
Datum publicatie
26-11-2003
Zaaknummer
200302670/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2002 heeft verweerder de aanvraag van appellante voor een vergunning als bedoeld in artikel 12 van de Natuurbeschermingswet (hierna: Nbw) voor het uitoefenen van de jacht in het beschermd natuurmonument "Groeve 't Rooth" afgewezen.

Bij besluit van 18 maart 2003, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 24 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 30 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302670/1.

Datum uitspraak: 26 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging “Wildbeheereenheid Het Geuldal", gevestigd te Valkenburg,

appellante,

en

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2002 heeft verweerder de aanvraag van appellante voor een vergunning als bedoeld in artikel 12 van de Natuurbeschermingswet (hierna: Nbw) voor het uitoefenen van de jacht in het beschermd natuurmonument "Groeve 't Rooth" afgewezen.

Bij besluit van 18 maart 2003, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 24 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 30 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Nagel, ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht kan het beroep van appellante niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van bezwaar of beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Hoewel het beroepschrift door slechts één bestuurslid is ondertekend in plaats van twee bestuursleden, zoals in de statuten is voorgeschreven, kan appellante, anders dan verweerder meent, in haar beroep worden ontvangen, omdat zij van de mogelijkheid het verzuim te herstellen, daartoe door de Afdeling in de gelegenheid gesteld, gebruik heeft gemaakt door middel van een door twee bestuursleden ondertekende machtiging.

Naar het oordeel van de Afdeling bestaat geen aanleiding het beroep

niet-ontvankelijk te verklaren.

2.2. Ingevolge artikel 12, eerste lid, Nbw is het verboden zonder vergunning van (thans) de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorwaarden handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk zijn voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd natuurmonument of die een beschermd natuurmonument ontsieren.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat in ieder geval als schadelijk voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd natuurmonument worden aangemerkt handelingen, die de in de beschikking tot aanwijzing genoemde wezenlijke kenmerken van een beschermd natuurmonument aantasten.

2.3. Appellante kan zich niet verenigen met de ongegrondverklaring van haar bezwaren tegen het besluit van 11 maart 2002.

Zij heeft in beroep als bezwaar aangevoerd dat verweerder bij zijn overweging is voorbij gegaan aan de kenmerken van het in geding zijnde natuurmonument in het bijzonder. Tevens is zij van mening dat het bestreden besluit niet aansluit bij de praktijk van de hedendaagse jacht. Voorts betwist appellante het standpunt van verweerder dat niet is aangetoond dat buiten het natuurmonument redelijke bejagingsinspanningen worden geleverd. Daarnaast stelt appellante dat konijnen niet bejaagd kunnen worden nu zij zich alleen ’s nachts buiten de groeve begeven. Daarbij stelt zij dat konijnen niet zijn tegen te houden met onder meer rasters of afschrikmiddelen. Tenslotte meent appellante dat de correcte jacht in het verleden tot gevolg heeft dat nu niet genoegzaam schade kan worden aangetoond.

2.4. Verweerder heeft de bezwaren van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en appellante de vergunning ex artikel 12 Nbw geweigerd. Hij stelt zich op het standpunt dat het zogenaamde “nee, tenzij”-beleid, van toepassing bij het afgeven van genoemde vergunning, ook ruimte laat voor een afweging op grond van de specifieke waarden van het natuurmonument en de gegevens zoals bij de aanvraag overlegd. Voorts is verweerder van mening dat de door appellante gestelde grote bejagingsinspanningen niet zodanig zijn onderbouwd dat hij hiervan bij zijn besluitvorming kon uitgaan. Verweerder stelt dat niet gebleken is dat buiten het natuurmonument voldoende maatregelen zijn genomen ter voorkoming en beperking van schade. Voorts leidt verweerder uit de afwezigheid van aantoonbare schade af dat de aangevraagde vergunning moet worden geweigerd.

2.5. Niet is betwist dat voor de jacht, die appellante blijkens haar aanvraag in het beschermd natuurmonument “Groeve ’t Rooth” voorstaat, een vergunning op grond van de Nbw is vereist.

In de Nota Jacht en Wildbeheer (Tweede Kamer, 1992-1993, 22980,

nrs. 1-2) is het door verweerder gehanteerde beleid met betrekking tot jacht in natuurgebieden neergelegd. Dit beleid is nader uitgewerkt in de circulaire “Jachtbeleid in natuurgebieden” van 27 juni 1994. Volgens deze circulaire dient in beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten in beginsel geen jacht plaats te vinden, tenzij deze jacht noodzakelijk is voor het realiseren van het beoogde natuurdoel of het beperken van wildschade. Als algemene beleidslijn voor de jacht in natuurgebieden geldt dat geen jacht plaatsvindt op trekkende wildsoorten en dat jacht op standwildsoorten in beginsel slechts plaatsvindt indien bepaalde belangen daartoe nopen. Tot deze belangen behoren de voorkoming van belangrijke schade aan vee, gewassen, bossen en bedrijfsmatige visserij, de bescherming van natuurwaarden, van de volksgezondheid, openbare veiligheid en waterkeringen, en de veiligheid van luchtverkeer.

Ter beoordeling van de noodzaak van bejaging van standwild zijn in de circulaire de volgende criteria aangegeven:

- buiten het natuurgebied dienen redelijke bejagings- en verjagingsinspanningen te worden geleverd om de in het geding zijnde belangen te beschermen;

-gebleken moet zijn dat de desbetreffende belangen onvoldoende kunnen worden beschermd indien uitsluitend bejaging en verjaging plaatsvindt buiten het natuurgebied;

- bejaging en verjaging in het natuurgebied moeten een redelijke bijdrage kunnen leveren aan de bescherming van het betrokken belang.

Naar het oordeel van de Afdeling is het hiervoor weergegeven beleid van verweerder met betrekking tot de uitoefening van de jacht in natuurgebieden niet kennelijk onredelijk of onjuist, voor zover het wordt gehanteerd als toetsingskader voor de beoordeling van vergunningsaanvragen.

2.6. Het “nee, tenzij”-beleid staat, anders dan appellante betoogt, niet in de weg aan de beoordeling of in een concreet geval voor een voorgenomen handeling een vergunning kan worden verleend. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder het “nee, tenzij”-beleid in dit geval wegens bijzondere omstandigheden niet heeft kunnen toepassen.

Volgens verweerder vormt het gebied Groeve ’t Rooth een broedbiotoop voor vele soorten vogels, waaronder minder algemene soorten, en is uit het oogpunt van natuurschoon de voor de fauna noodzakelijke rust een van de wezenlijke kenmerken van het gebied. Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit onder meer overwogen dat hem niet is gebleken van de voor het verlenen van de vergunning vereiste aanzienlijke schade in het natuurmonument of daarbuiten noch van redelijke bejagings- en verjagingsinspanningen buiten het beschermde natuurmonument.

Naar het oordeel van de Afdeling is verweerder voldoende ingegaan op de voor Groeve ’t Rooth kenmerkende waarden en de bijzondere argumenten die appellante met het oog op het verlenen van vergunning heeft aangevoerd.

2.7. De Afdeling is niet gebleken dat het besluit van verweerder niet strookt met de kennis en de praktijk van de hedendaagse jacht.

Evenmin is aannemelijk geworden dat verweerder de gevolgen van een grotere populatie van reeën niet bij de totstandkoming van het bestreden besluit heeft betrokken.

2.8. Met betrekking tot de schade die volgens appellante door konijnen wordt veroorzaakt aan landbouwgewassen in de omgeving van het natuurmonument, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze schade niet is aangetoond. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat schade in afdoende mate te bestrijden valt door maatregelen, zoals een effectieve afrastering en jacht op de percelen waar deze schade mogelijk wordt aangericht.

De Afdeling acht dit niet onjuist.

2.9. Reeds gelet op al het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid de vergunning ten behoeve van de jacht in Groeve ‘t Rooth heeft kunnen weigeren.

Ook overigens ziet de Afdeling in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of genomen in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel, dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Het beroep van appellante is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Broekman

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2003

12-447.