Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN8794

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2003
Datum publicatie
26-11-2003
Zaaknummer
200304127/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 22 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schijndel (hierna: het college) appellanten in het kader van de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in paragraaf 3.5.6. van de Algemene wet bestuursrecht drie afzonderlijke ontwerpbesluiten tot het opleggen van drie afzonderlijke lasten onder dwangsom gezonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304127/1.

Datum uitspraak: 26 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 mei 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Schijndel.

1. Procesverloop

Bij brief van 22 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schijndel (hierna: het college) appellanten in het kader van de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in paragraaf 3.5.6. van de Algemene wet bestuursrecht drie afzonderlijke ontwerpbesluiten tot het opleggen van drie afzonderlijke lasten onder dwangsom gezonden.

Bij besluit van 7 mei 2002 heeft het college appellanten onder oplegging van een dwangsom gelast het dierenverblijf en de garage op het perceel, kadastraal bekend gemeente Schijndel, sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) vóór 1 juli 2003 volledig in overeenstemming te brengen met de op 25 mei 2000 verleende bouwvergunning.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 4 juni 2002 heeft het college appellanten onder oplegging van een dwangsom gelast onderscheidenlijk de woning en de serre op het perceel vóór 1 juli 2003 volledig in overeenstemming te brengen met onderscheidenlijk de op 4 november 1999 verleende bouwvergunning en de op 13 december 1999 afgegeven akkoordverklaring melding.

Bij uitspraak van 30 mei 2003, verzonden op 5 juni 2003, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 25 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 juni 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 10 september 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2003, waar appellanten, in persoon en bijgestaan door mr. R. Cats, advocaat te Maastricht, en het college, vertegenwoordigd door C.C.P. van Steen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat appellanten bij de bouw van voormelde bouwwerken zijn afgeweken van de op de bouwtekeningen behorende bij de bouwvergunningen en de akkoordverklaring aangegeven maten en dat het college bevoegd was om hiertegen handhavend op te treden.

2.2. In artikel 40 van de Woningwet, zoals dat tot 1 januari 2003 luidde, noch elders, is een verplichting neergelegd tot verwezenlijking van een bouwplan waarvoor bouwvergunning is verleend dan wel een melding is gedaan. De Afdeling verstaat de drie lasten daarom aldus, dat appellanten de keuze wordt gelaten tussen afbraak en bouw in overeenstemming met voormelde bouwvergunningen en akkoordverklaring.

2.3. Alleen in bijzondere gevallen kan een bestuursorgaan afzien van handhavend optreden tegen een illegale situatie. Van een bijzonder geval kan onder meer sprake zijn, indien concreet zicht bestaat op legalisering van de illegale situatie.

2.4. Ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied” rustte op het perceel de bestemming ”Klompenmakerij” en was de bouw van een woning met bijgebouwen niet toegestaan. Het college heeft op grond van het destijds door hem gevoerde beleid “nieuw-voor-oud-bouwen” in strijd met dit bestemmingsplan – overigens zonder hiervan vrijstelling te verlenen – aan appellanten bouwvergunningen verleend voor een woning met een inhoud van ruim 700 m³ en voor bijgebouwen met een gezamenlijke inhoud van ongeveer 500 m³. Niet is bestreden dat het nadien vastgestelde nieuwe bestemmingsplan “Buitengebied” slechts voorziet in de bouw van een nieuwe woning met een maximale inhoud van 500 m³ en bijgebouwen met een maximale inhoud van 350 m³. Het college heeft in zijn dwangsombesluiten overwogen dat het, gelet op de reeds vergunde afwijkingen van het bestemmingsplan en het feit dat in het op 22 februari 2002 vastgestelde streekplan “Brabant in Balans” is aangegeven dat bestaande woningen in het buitengebied mogen worden vergroot tot een maximum van 600 m³, niet bereid is om voor de afwijkingen van de bouwvergunningen en de melding alsnog met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling te verlenen.

Gelet hierop, moet, anders dan appellanten betogen, met de rechtbank worden geoordeeld dat de verlening van een vrijstelling niet in de rede lag en geen concreet zicht bestond op legalisering.

2.5. Appellanten betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte hun beroep op het vertrouwensbeginsel heeft verworpen. Zij voeren daartoe aan dat de bouw in eigen beheer is uitgevoerd en dat zij toen in de veronderstelling verkeerden dat binnenwerks diende te worden gemeten. In die periode, meer precies tussen 11 januari 2000 en 19 september 2001, is een ambtenaar van de gemeente Schijndel herhaaldelijk ter controle op de bouwplaats verschenen. Volgens appellanten heeft hij bij die gelegenheden echter niet gerept van afwijkingen in de maatvoering, doch integendeel bij de eerste controle de maatvoering akkoord bevonden. Zij betwisten dat, zoals door genoemde ambtenaar schriftelijk is verklaard, nadien door hen de maatvoering is gewijzigd.

2.6. Dit betoog faalt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is het aan appellanten om te bouwen overeenkomstig de verleende bouwvergunning en de melding en kan de verantwoordelijkheid daarvoor niet bij het college worden gelegd. Dit geldt ook indien, zoals appellanten stellen, een ambtenaar van de gemeente op de bouwplaats meermalen waarnemingen van de bouw heeft gedaan en daarbij de maatvoering heeft beoordeeld. Appellanten konden, wat hier ook van zij, hieraan niet het rechtens te honoreren vertrouwen ontlenen dat zij bouwden overeenkomstig de verleende bouwvergunning en dat tegen afwijkingen niet zou worden opgetreden. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval van dat uitgangspunt zou moeten worden afgeweken is niet gebleken. Daarbij wordt nog overwogen dat de bouwtekeningen voldoende duidelijk zijn en geen aanknopingspunten bieden voor genoemde veronderstelling van appellanten. Dit geldt ook voor het destijds geldende bestemmingsplan, waarin was bepaald dat de oppervlakte en de inhoud van een bouwwerk buitenwerks diende te worden gemeten. Daarenboven komt de stelling van appellanten dat zij ervan uitgingen dat bij de vaststelling van de bouwhoogten de verdiepingsvloeren buiten beschouwing mochten worden gelaten de Afdeling niet aannemelijk voor.

2.7. Gezien het vorenstaande, kan het horen van de door appellanten opgeroepen, maar ter zitting niet verschenen getuige, werkzaam als inspecteur Bouwzaken bij de gemeente Schijndel, niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Immers, ook indien deze zou verklaren dat tijdens de bouw de maatvoering meermalen is gecontroleerd, zou dat niet tot een ander oordeel over het door appellanten gedane beroep op het vertrouwensbeginsel leiden. Derhalve bestaat geen aanleiding deze persoon alsnog op te roepen en te horen.

2.8. Het betoog van appellanten, dat de rechtbank heeft miskend dat het van gemeentezijde gewekte vertrouwen dat werd gebouwd in overeenstemming met de verleende bouwvergunningen eveneens tot gevolg heeft gehad dat bij hen niet de mening heeft kunnen postvatten dat zij dienden op te komen tegen het op 13 december 2001 door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan en de daarin opgenomen bebouwingsvoorschriften, kan, gelet op het vorenstaande, evenmin slagen.

2.9. Anders dan appellanten betogen, heeft de rechtbank voorts het feit dat de bouwvergunningen in strijd met het destijds geldende bestemmingsplan zijn verleend, terecht niet aangemerkt als een bijzondere omstandigheid in de hiervoor bedoelde zin. Dit geldt ook voor het feit dat wanneer appellanten uitvoering moeten geven aan de opgelegde lasten, dit voor hen grote financiële gevolgen zal hebben. Daarnaast kan niet worden staande gehouden dat het recht om handhavend op te treden inmiddels was verwerkt. Tot slot kan ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen, reeds omdat het door appellanten genoemde geval zich niet in de gemeente Schijndel heeft voorgedaan.

2.10. Gelet op het vorenoverwogene en in aanmerking nemende dat het college appellanten voorafgaande aan de verlening van de bouwvergunningen tot drie keer toe schriftelijk had medegedeeld de bouw van een woning met een grotere inhoud dan 730 m³ niet aanvaardbaar te achten, moet de conclusie zijn dat de rechtbank de beroepen tegen de opgelegde lasten terecht ongegrond heeft verklaard.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. J.G. Treffers en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Boer

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2003

201.