Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN8793

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2003
Datum publicatie
26-11-2003
Zaaknummer
200205223/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie het verzoek van appellant ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur om een afschrift van het dossier van [derde belanghebbende] niet ingewilligd.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 68 met annotatie van I. Sewandono
JV 2004/27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200205223/1.

Datum uitspraak: 26 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 15 augustus 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) het verzoek van appellant ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) om een afschrift van het dossier van [derde belanghebbende] niet ingewilligd.

Bij besluit van 9 november 2001 heeft de staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 augustus 2002, verzonden op 16 augustus 2002, heeft de rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief gedateerd: 26 september 2002 (lees: 24 oktober 2002). Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 oktober 2002 heeft [derde belanghebbende] zich aangemeld als derde-belanghebbende.

Bij brieven van 23 december 2002 en 13 februari 2003 hebben respectievelijk appellant en [derde belanghebbende] aan de Afdeling de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om mede op basis van de geheim te houden stukken uitspraak te doen.

Bij brief van 17 februari 2003 heeft de staatssecretaris van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2003, waar appellant in persoon en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.P. Heinrich, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob, voor zover van belang, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

2.2. Blijkens het hoger beroepschrift, zoals ter zitting toegelicht, is uitsluitend in geschil de weigering van de staatssecretaris met toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob om appellant die (gedeelten van) stukken te verstrekken waaruit zou kunnen blijken op grond van welke overwegingen - in afwijking van het openbare orde-beleid - tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) aan [derde belanghebbende] is overgegaan. Het standpunt, dat appellant het geschil niet daartoe zou kunnen beperken, zoals namens de staatssecretaris is betoogd, wordt niet gevolgd, nu appellant met die beperking blijft binnen de grenzen van het aanvankelijke geschil.

2.3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank in het kader van de ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob te verrichten belangenafweging te weinig gewicht heeft toegekend aan het publieke belang bij openbaarmaking van de desbetreffende stukken.

Appellant heeft voorts betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat beperking van de openbaarmaking niet op een dusdanige wijze mogelijk is dat de persoonlijke levenssfeer van [derde belanghebbende] daarmee niet wordt aangetast.

2.4. De Afdeling merkt op dat ter zitting is gebleken dat appellant ten onrechte het schrijven van de staatssecretaris van 17 februari 2003 niet toegezonden heeft gekregen. Gelet op het navolgende zal de Afdeling hieraan geen consequenties verbinden.

Na kennis te hebben genomen van de stukken ten aanzien waarvan artikel 8:29 van de Awb is toegepast overweegt de Afdeling dat het enige stuk waaruit zou kunnen worden opgemaakt op welke gronden de staatssecretaris is overgegaan tot verlening van een mvv aan [derde belanghebbende], het besluit tot verlening van de mvv zelve is. Ten aanzien van dit stuk is de Afdeling van oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat daarin gegevens zijn opgenomen die ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob voor bescherming in aanmerking kunnen komen. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat voor zover er al gegevens in voormeld besluit voorkomen, die de privacy van [derde belanghebbende] raken, die gegevens reeds via de media in de openbaarheid zijn gebracht.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover die ziet op de na bezwaar gehandhaafde weigering om een afschrift te verstrekken van het besluit waarbij aan [derde belanghebbende] een mvv is verleend. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar vernietigen, voor zover deze betrekking heeft op de weigering een afschrift te verstrekken van het besluit waarbij aan [derde belanghebbende] een mvv is verleend. Tevens ziet de Afdeling aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Zij zal het bezwaar gegrond verklaren, het primaire besluit van 9 juli 2001 herroepen, voor zover daarbij is geweigerd appellant een afschrift te verstrekken van het besluit waarbij aan [derde belanghebbende] een mvv is verleend, de staatssecretaris gelasten dit document aan appellant te verstrekken en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de beslissing op bezwaar, in zoverre die is vernietigd.

2.6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 15 augustus 2002, WOB 02/142 VRB, voor zover deze betrekking heeft op de bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde weigering een afschrift van het besluit tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf te verstrekken;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 9 november 2001, IND/ZW/2001/661, voor zover dat besluit betrekking heeft op de verstrekking van een afschrift van het besluit tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf aan [derde belanghebbende]];

V. herroept het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 9 juli 2001, IND/ ZW/2001/451, voor zover daarbij appellant de verstrekking van een afschrift is geweigerd van het besluit tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf aan [derde belanghebbende]

VI. bepaalt dat de Staatssecretaris van Justitie appellant een afschrift verstrekt van het besluit tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf aan [derde belanghebbende];

VII. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 9 november 2001, IND/ZW/2001/661;

VIII. veroordeelt de Staatssecretaris van Justitie in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 238,62; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) te worden betaald aan appellant;

IX. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht (€ 102,10 en € 165,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Matulewicz

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2003

45-402.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,