Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN8790

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2003
Datum publicatie
26-11-2003
Zaaknummer
200304496/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 mei 2003, kenmerk 03.0496, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouders] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een melkrundveebedrijf en inrichting voor het verzamelen opslaan, bewerken en verwerken van restpartijen afkomstig van de genots- en voedingsmiddelenindustrie tot veevoeders op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Lopik, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 29 mei 2003 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2006/1003
JB 2004/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304496/1.

Datum uitspraak: 26 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Lopik,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2003, kenmerk 03.0496, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouders] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een melkrundveebedrijf en inrichting voor het verzamelen opslaan, bewerken en verwerken van restpartijen afkomstig van de genots- en voedingsmiddelenindustrie tot veevoeders op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Lopik, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 29 mei 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 8 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 9 juli 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 8 augustus 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2003, waar appellanten, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door M.A. Engel, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn het college van gedeputeerde staten van Gelderland, vertegenwoordigd door mr. C.H. Marskamp en ing. P.A.M. van den Bergen, ambtenaren van de provincie, en [gemachtigde], vergunninghouder, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De vraag of verweerder bevoegd was het bestreden besluit te nemen heeft betrekking op een aspect dat de Afdeling ambtshalve bij haar beoordeling moet betrekken. De Afdeling zal daarom in de eerste plaats op deze vraag ingaan.

2.2. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede, het derde en het vierde lid.

Ingevolge artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat ten aanzien van daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, of Onze Minister bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag om een vergunning.

Ingevolge artikel 3.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna te noemen: het Besluit) zijn gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die daartoe in bijlage I is aangewezen.

Ingevolge categorie 28.4, zoals opgenomen in bijlage I behorende bij het Besluit, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor onder meer: onder a, sub 6°: het opslaan van andere dan de onder 1° tot en met 5° genoemde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 50 m3 of meer, en onder c, sub 1°: het ontwateren, microbiologisch of anderszins biologisch of chemisch omzetten, agglomereren, deglomereren, mechanisch, fysisch of chemisch scheiden, mengen, verdichten of thermisch behandelen - anders dan verbranden - van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen.

2.3. Eerder (uitspraak van 14 mei 2003, in zaak nr. 200203938/1, JM 2003/77) heeft de Afdeling overwogen dat bijproducten die zijn aan te merken als residuen van productieprocessen in de voedingsmiddelenindustrie en waarvan de leveranciers zich ontdoen of moeten ontdoen in de zin van artikel 1, onder a van de Richtlijn 75/442/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG, afvalstoffen zijn. Er is geen reden om daarover thans anders te oordelen.

2.4. Uit de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende aanvraag blijkt dat in de inrichting restpartijen afkomstig van de genots- en voedingsmiddelenindustie onder meer worden verzameld, opgeslagen, gescheiden, gemengd, bewerkt en verwerkt. Deze restpartijen kunnen blijkens bijlagen behorende bij de aanvraag bestaan uit onder meer kaasafvallen, sojabijproducten en –afvallen, afvallen uit de noten-, chocolade-, en limonade-industrie, en producten uit de consumptie-industie met een onjuiste verpakking of houdbaarheidsdatum. De restpartijen zijn derhalve aan te merken als residuen van productieprocessen in de voedingsmiddelenindustrie, als bedoeld in de voormelde uitspraak van 14 mei 2003. Uit de aanvraag en de daarbij behorende tekening en bijlagen blijkt eveneens dat de capaciteit voor de opslag van de restproducten hoger is dan 50 m³.

2.5. Geconcludeerd moet derhalve worden dat de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die over de capaciteit beschikt om meer dan 50 m³ van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, welke niet vermeld zijn in categorie 28.4, onder a, sub 1 tot en met 5, van het Besluit, op te slaan en vervolgens te mengen en thermisch te behandelen. De categorieën 28.7 of 28.8 van bijlage I behorende bij het Besluit, waarin een uitzondering is gemaakt op onder andere categorie 28.4, onder a, sub 6, zijn niet van toepassing.

Dat brengt mee dat de inrichting onder meer onder categorie 28.4 van bijlage I van het Besluit valt. Nu in categorie 28.4 het college van gedeputeerde staten is aangewezen als bevoegd gezag, is het besluit van 23 september 2002 in strijd met artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 3.1 en bijlage I van het Besluit onbevoegd genomen.

2.6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Lopik van 27 mei 2003, 03.0496;

III. gelast dat de gemeente Lopik aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. De Vink

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2003

154-314.