Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN8397

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-11-2003
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
200304967/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft bij besluit van 18 juni 2003, nr. 919710, een vergunning onder voorschriften ingevolge de Ontgrondingenwet verleend aan [vergunninghoudster] te [plaats] voor het ontgronden van gedeelten van de percelen, kadastraal bekend gemeente Teteringen, sectie […], nrs. […], […], […], […], […], […], […], […], […], […], […], […] en […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304967/2.

Datum uitspraak: 13 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de Stichting Brabantse Milieufederatie, gevestigd te Tilburg, en andere,

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 18 juni 2003, nr. 919710, een vergunning onder voorschriften ingevolge de Ontgrondingenwet verleend aan [vergunninghoudster] te [plaats] voor het ontgronden van gedeelten van de percelen, kadastraal bekend gemeente Teteringen, sectie […], nrs. […], […], […], […], […], […], […], […], […], […], […], […] en […].

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 28 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 28 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2003, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 oktober 2003, waar verzoekers, vertegenwoordigd door mr. J.M.E. Kessels, advocaat te Venlo, en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door A.A.G. van den Meerendonk, mr. A.J.A.M. van de Laar, ing. G.W.J. Rasing en ir. T.M.F. Huijsmans, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. drs. P.J. Vergouwen, gemachtigde, daar gehoord. Namens het gemeentebestuur van Breda is A.J.J. Neele, ambtenaar van de gemeente, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De verleende ontgrondingsvergunning maakt de aanleg van twee vijvers en een retentievoorziening/afvoerende watergang binnen een aan te leggen golfbaan mogelijk. De beoogde vijvers en infiltratiegeul dienen voor opvang van het hemelwater dat van de verharde oppervlakten in de nabijgelegen woongebieden afstroomt. Het hemelwater wordt in eerste instantie naar de vijvers geleid, waarbij het overschot kan worden afgevoerd naar de infiltratiegeul. Op deze wijze kan het hemelwater uit de woonwijken worden gebruikt voor de beregening van de golfbaan (vijvers) en voor de aanvulling van het grondwater (infiltratiegeul).

2.3. Verzoekers stellen dat verweerder de gevraagde vergunning ten onrechte heeft verleend. In dit verband hebben zij onder meer aangevoerd dat de ontgronding in strijd is met het vigerende bestemmingsplan en met het provinciale beleid. Ook menen verzoekers dat te weinig inzicht bestaat in de hydrologische gevolgen van de ontgronding. Zij vrezen dat de ontgronding zal leiden tot een verdroging van de bovenstrooms – relatief hoog – gelegen delen van de EHS/GHS en tot een vermindering van het kwelwater in de benedenstrooms – relatief laag – gelegen Lage Vuchtpolder. Verzoekers hebben de Voorzitter gevraagd het bestreden besluit te schorsen omdat zij vrezen dat anders onmiddellijk zal worden begonnen met de ontgronding.

2.4. Verweerder stelt dat de ontgronding ten behoeve van de aanleg van het golfterrein weliswaar in strijd is met het vigerende bestemmingsplan, maar dat de gemeente deze ontwikkeling wel mogelijk wil maken en bezig is met een zelfstandige projectprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Nu verweerder in het kader van die procedure op 8 april 2003 een verklaring van geen bezwaar heeft verleend, ontmoet de ontgronding naar zijn mening geen bezwaar vanuit het ruimtelijke ordeningsaspect.

2.5. De Voorzitter stelt evenwel vast dat het besluit van het gemeentebestuur van Breda, waarbij een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is verleend voor het aanleggen van een golfbaan in het gebied, door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Breda bij uitspraak van 17 september 2003 is geschorst tot zes weken na de verzending van de beslissing op bezwaar. Daarbij heeft de voorzieningenrechter overwogen dat vooralsnog, zonder nadere onderbouwing op dit onderdeel, niet kan worden staande gehouden dat de door verweerder afgegeven verklaring van geen bezwaar zich verdraagt met het streekplan. Gelet hierop oordeelde de voorzieningenrechter dat het gemeentebestuur van Breda in redelijkheid ten behoeve van de artikel 19-vrijstelling geen gebruik had mogen maken van deze verklaring.

2.6. Wat betreft de waterhuishoudkundige gevolgen van de ontgronding stelt verweerder dat de invloed op het grondwaterverhang gering zal zijn en zich zal beperken tot de directe omgeving van de ontgrondingen. Ook meent verweerder dat geen negatieve effecten zijn te verwachten op de kwel in de nabijgelegen Lage Vuchtpolder.

De Voorzitter kan thans niet beoordelen in hoeverre deze opvatting van verweerder juist is. Daartoe dient een nader onderzoek plaats te vinden, hetgeen het kader van deze procedure te buiten gaat. Eerst de Afdeling zal, na het inwinnen van een advies bij de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening, hierover een definitief oordeel kunnen geven.

2.7. Gezien het vorenstaande en in aanmerking genomen dat de vergunninghoudster zo spoedig mogelijk met de ontgronding wil beginnen, ziet de Voorzitter aanleiding het bestreden besluit te schorsen.

2.8. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 18 juni 2003, nr. 919710;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 680,37, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan verzoekers;

III. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Breunese-van Goor

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2003

208.