Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN8388

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-11-2003
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
200304566/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 oktober 2002 heeft de gemeenteraad van Amsterdam het bestemmingsplan “IJburg, tweede fase” vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304566/2.

Datum uitspraak: 13 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging tot Behoud van het IJsselmeer" en de stichting "Stichting Centrale Dorpenraad Landelijk Noord", gevestigd te Edam, respectievelijk Amsterdam,

verzoeksters,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2002 heeft de gemeenteraad van Amsterdam het bestemmingsplan “IJburg, tweede fase” vastgesteld.

Bij besluit van 27 mei 2003, kenmerk 2002-45271, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben verzoeksters bij brief van 10 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 augustus 2003.

Bij afzonderlijke brief van 10 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2003, hebben verzoeksters de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 oktober 2003, waar verzoeksters, vertegenwoordigd door mr. L.D.H. Hamer, advocaat te Amsterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.T. Ziengs, ambtenaar der provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Amsterdam, vertegenwoordigd door mr. J.P. Smit, ambtenaar der gemeente, [gemachtigde] en [gemachtigde], bijgestaan door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan heeft betrekking op gronden in het IJmeer te Amsterdam. Met het plan wordt beoogd de bouw van de tweede fase van de nieuwe stadswijk IJburg mogelijk te maken.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.3. Verzoeksters stellen in beroep dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd. Daartoe voeren zij aan dat de noodzaak voor een grootschalige nieuwbouwlocatie is komen te vervallen. Verder stellen zij dat met de landaanwinning en de woningbouw een onaanvaardbare inbreuk op de aanwezige natuurwaarden wordt gemaakt, in strijd met de Vogel- en Habitatrichtlijn, het Structuurschema Groene Ruimte en de Ramsar Wetlands Conventie. Verzoeksters zijn van mening dat het plan een negatieve invloed heeft op het waterbeheer en op het beschermde dorpsgezicht van Durgerdam.

Verzoeksters wensen een voorlopige voorziening om te voorkomen dat zich onomkeerbare gevolgen zullen voordoen als gevolg van de landaanwinningsactiviteiten en de werkzaamheden in het kader van de uitvoering van het bestemmingsplan.

2.4. De gronden waarop het gemeentebestuur woningen wenst te bouwen, hebben in het bestemmingsplan de bestemming “Uit te werken stedelijk gebied”. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat in maart 2004 de eerste voorbereidende werkzaamheden zullen beginnen. Dit betreft de aanleg van twee drukterpen, waarmee een investering van ongeveer € 1.000.000,- is gemoeid. Vervolgens zullen in november 2004 de landaanwinningsactiviteiten starten, waarna in 2005 de in het plan voorziene bruggen kunnen worden gebouwd. Voor de landaanwinning is concessie verleend, voor de bouw van de bruggen kan volgens de vertegenwoordiger van de gemeenteraad op basis van het globale bestemmingsplan een bouwvergunning worden verleend.

Met de uitwerking van het bestemmingsplan voor het Centrumeiland en/of het Middeneiland zal in 2004 worden begonnen, zodat het eerste uitwerkingsplan in 2005 kan worden vastgesteld. Er kan op zijn vroegst bouwvergunning worden verleend voor de bouw van woningen wanneer het bouwplan past in een ontwerp-uitwerkingsplan. Naar verwachting wordt niet voor 2007 met de bouw van de woningen begonnen.

Gelet op het voorgaande concludeert de Voorzitter dat de activiteiten in 2004 zich in hoofdzaak richten op de voorbereiding van de in volgende jaren uit te voeren werkzaamheden. De aard van deze voorbereidende activiteiten acht de Voorzitter, mede gelet op het verhandelde ter zitting, niet van dien aard dat daaraan onomkeerbare gevolgen zijn verbonden. In zoverre is er geen sprake van de voor het treffen van een voorlopige voorziening vereiste onverwijlde spoed en is derhalve een voorlopige voorziening niet gerechtvaardigd.

Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Van den Berg

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2003

350.