Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN8374

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2003
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
200302120/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2002 heeft de deelraad van het stadsdeel Oud-West van de gemeente Amsterdam, op voorstel van het dagelijks bestuur van 14 mei 2002, het bestemmingsplan "De Hallen e.o." vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 4 februari 2003, kenmerk 2002-26331, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 1 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2003, beroep ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302120/1.

Datum uitspraak: 19 november 2003.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Amsterdam Openbaar Vervoer Museum",

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2002 heeft de deelraad van het stadsdeel Oud-West van de gemeente Amsterdam, op voorstel van het dagelijks bestuur van 14 mei 2002, het bestemmingsplan "De Hallen e.o." vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 4 februari 2003, kenmerk 2002-26331, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 1 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 10 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante en van de deelraad van het stadsdeel Oud-West. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2003, waar appellante, bijgestaan door mr. R. Verduyn, advocaat te Amsterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. F. Arents, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar de deelraad van het stadsdeel Oud-West van de gemeente Amsterdam, vertegenwoordigd door M. Schravendeel, ambtenaar van het stadsdeel, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan voorziet in de planologische regeling van de herinrichting van het voormalige tramremisecomplex aan de [locatie] en omgeving.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.3. Appellante stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Gemengde doeleinden -GD-", voorzover hierdoor haar aanwezigheid in het plangebied planologisch gezien onmogelijk gemaakt wordt. Appellante stelt dat verweerder onvoldoende rekening gehouden heeft met haar belangen, aangezien zij door het plan de ruimte zal moeten verlaten waarop zij is aangewezen voor het stallen en exploiteren van de door haar beheerde historische collectie openbaarvervoermaterieel. Voorts stelt zij dat verweerder er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het bestemmingsplan onvoldoende waarborgen biedt voor het behoud van de cultuurhistorische waarde van het complex.

Daarnaast is appellante van mening dat de financiƫle uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende gewaarborgd is.

2.4. De stadsdeelraad heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante de door haar gebruikte ruimten in De Hallen volgens afspraak slechts tijdelijk kon huren. Hij is van mening dat het project dat mogelijk gemaakt wordt op grond van het plan een meerwaarde voor de buurt zal opleveren.

2.5. Verweerder heeft geen reden gezien het plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit goedgekeurd. Verweerder heeft wat betreft de weerlegging van de bedenkingen ingestemd met het standpunt van de stadsdeelraad.

2.6. Ingevolge de plankaart heeft het grootste gedeelte van het plangebied, waaronder het door appellante gehuurde gedeelte, de bestemming "Gemengde doeleinden -GD-". Vast staat dat er binnen deze bestemming niet is voorzien in gronden die gebruikt kunnen worden voor het huisvesten van appellante of voor de door haar uitgeoefende activiteiten.

Ten aanzien van het betoog van appellante dat onvoldoende rekening gehouden is met haar belangen, overweegt de Afdeling het volgende. De stadsdeelraad komt de bevoegdheid toe op grond van planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen bestemmingen en voorschriften vast te stellen. Blijkens de stukken is voorafgaand aan het vaststellen van het plan uitvoerig onderzoek verricht naar de wensen en mogelijkheden met betrekking tot het plangebied. Gekozen is voor de in het plan voorziene combinatie van functies, waarin de activiteiten van appellante niet passend worden geacht. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen menen dat deze combinatie van functies een meerwaarde voor de buurt en het stadsdeel zal opleveren en heeft kunnen instemmen met de keuze van de stadsdeelraad om op deze wijze een nieuwe planologische invulling te geven aan het gebied. Niet is gebleken dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen te weinig gewicht heeft toegekend aan het belang van appellante om op deze plaats haar activiteiten te kunnen voortzetten. De Afdeling neemt daarbij mede in aanmerking dat met de verhuur aan appellante slechts beoogd werd het complex tijdelijk in gebruik te geven, in afwachting van de aanvang van de herinrichting van het gebied.

2.6.1. Voorts volgt de Afdeling appellante niet in haar stelling dat in het bestreden besluit ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat het plan onvoldoende waarborgen biedt voor het behoud van de karakteristieken van het interieur en daarmee van de cultuurhistorische waarde van het voormalige tramremisecomplex, dat deels is aangewezen als rijksmonument. Op de plankaart is aangegeven welk gedeelte van het plangebied de status van rijksmonument heeft en blijkens de voorschriften is rekening gehouden met deze status bij het toekennen van de daarvoor geldende bestemmingen. Verweerder heeft op grond van de in het plan voor dit gedeelte voorziene mogelijkheden geen aanleiding behoeven te zien voor de conclusie dat de cultuurhistorische waarde van het complex als gevolg daarvan aangetast zal worden. De Afdeling merkt daarbij nog op dat voor een wijziging van het gedeelte van het complex dat is aangewezen als beschermd monument, ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 een monumentenvergunning vereist is.

2.6.2. Ten aanzien van de financiƫle uitvoerbaarheid van het plan overweegt de Afdeling, dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet is gebleken dat deze onvoldoende is gewaarborgd.

2.7. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Klein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2003.

177-448.