Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN8372

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2003
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
200302150/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 april 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Liesveld (hierna: het college) aan [partij] vrijstelling verleend, als bedoeld in artikel 7, vierde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Bedrijfsterrein Gelkenes, 1e herziening" voor haar bedrijfsactiviteiten op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 februari 2001 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 februari 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/309
OGR-Updates.nl 1000685
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302150/1.

Datum uitspraak: 19 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Dordrecht van 21 februari 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Liesveld.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Liesveld (hierna: het college) aan [partij] vrijstelling verleend, als bedoeld in artikel 7, vierde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Bedrijfsterrein Gelkenes, 1e herziening" voor haar bedrijfsactiviteiten op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 februari 2001 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 februari 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 april 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 juli 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2003, waar appellant, bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. D. van Berlijn, advocaat te Alblasserdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De bedrijfsactiviteiten van [partij] bestaan uit biologische grondreiniging.

2.2. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd zijn van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Bedrijfsterrein Gelkenes” heeft het perceel de bestemming “Bedrijfsdoeleinden (B)” met de nadere aanduiding “BIV”.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor Bedrijfsdoeleinden (B) ter plaatse van de bestemmingsaanduiding BIV bestemd voor bedrijfsactiviteiten vallende onder de categorieën 1 t/m 4 van de Staat van Inrichtingen.

Ingevolge artikel 7, vierde lid, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in:

a. (…);

b. het eerste lid onder a en b ten einde bedrijfsactiviteiten – geen A-inrichtingen zijnde - toe te laten die niet in de Staat van Inrichtingen zijn genoemd, indien en voor zover de betrokken bedrijfsactiviteit naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kon worden te behoren tot de ingevolge het eerste lid onder a respectievelijk b toegelaten categorieën van de Staat van Inrichtingen;

c. alvorens omtrent het verlenen van een vrijstelling als bedoeld in dit lid te beslissen wordt vooraf schriftelijk advies ingewonnen bij de milieudeskundige omtrent de aard van de bedrijfsactiviteit en de invloed daarvan op de omgeving, gelet op de specifieke werkwijze en verschijningsvorm en getoetst aan de maatgevende milieuaspecten.

Ingevolge artikel 1, onder 10, wordt onder milieudeskundige verstaan de regionale inspecteur van de Volksgezondheid voor de milieuhygiëne in de provincie Zuid-Holland.

Ingevolge artikel 1, onder 11, wordt onder maatgevende milieuaspecten verstaan milieuaspecten ten aanzien waarvan een desbetreffend bedrijfstype de meeste hinder c.q. gevaar oplevert.

2.4. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat artikel 7 van de planvoorschriften voorwerp van beroep is geweest bij de Afdeling, in de weg staat aan de beoordeling van de verbindendheid van dit voorschrift.

Dit betoog slaagt. De omstandigheid dat bij de Afdeling het beroep tegen de goedkeuring van het bestemmingsplan, waar het voorschrift onderdeel van is, is behandeld noch de omstandigheid dat de in dit voorschrift opgenomen categorie-indeling in die procedure aan de orde is geweest, maakt dat de verbindendheid van dit voorschrift niet meer aan de bestuursrechter kan worden voorgelegd.

2.5. Appellant betoogt dat artikel 7 niet voldoende objectief begrensd en derhalve onverbindend is.

Dit betoog faalt. De in een bestemmingsplan vervatte voorschriften die de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling openen of nader regelen, moeten uit het oogpunt van rechtszekerheid een voldoende objectieve (kwantitatieve en kwalitatieve) begrenzing van deze bevoegdheid inhouden. Aan dit vereiste is naar het oordeel van de Afdeling in dit geval voldaan. De vrijstellingsbevoegdheid kan alleen worden toegepast ten behoeve van bedrijfsactiviteiten die vergelijkbaar zijn met de ingevolge artikel 7, eerste lid, onder a en b, toegelaten categorieën van bedrijfsactiviteiten en is in dat verband afhankelijk gemaakt van de aard van de bedrijfsactiviteit en de invloed daarvan op de omgeving, gelet op de specifieke werkwijze of de bijzondere verschijningsvorm. Voorts dient, alvorens aan deze bevoegdheid toepassing wordt gegeven, advies in te worden gewonnen bij de milieudeskundige omtrent deze criteria en de toets aan de maatgevende milieuaspecten. Gelet op het voorgaande kan niet staande worden gehouden dat de vrijstellingsbevoegdheid geen voldoende objectieve begrenzing inhoudt.

2.6. Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de planvoorschriften niet toestaan dat het college het adviesbureau voor ruimtelijk beleid, ontwikkeling en inrichting (hierna: het RBOI) als milieudeskundige raadpleegt. Verder betoogt hij dat de rechtbank heeft miskend dat het RBOI niet als onafhankelijk adviseur is aan te merken, nu het niet onder verantwoordelijkheid van een overheidsinstantie optreedt.

Dit betoog kan niet slagen. Uit de stukken is gebleken dat de in artikel 7, vierde lid, onder c, van de planvoorschriften voorgeschreven milieudeskundige geen advies meer verstrekt in dit soort aangelegenheden. Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt mee dat het college zich om advies heeft kunnen wenden tot een andere ter zake deskundige en dat dit – anders dan appellant van mening is - niet betekent dat nog uitsluitend vrijstelling van het bestemmingsplan kon worden verleend met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Dat het door het college geraadpleegde RBOI geen overheidsinstantie is noch onder verantwoordelijkheid daarvan optreedt, betekent niet dat het niet als een onafhankelijke deskundige is aan te merken.

2.7. Appellant betoogt vervolgens dat de rechtbank heeft miskend dat [partij] niet is aan te merken als een bedrijf dat naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot categorie 4 van de Staat van Inrichtingen. Daartoe voert hij aan dat het puinzeven, als onderdeel van het bedrijfsproces, het maatgevende milieuaspect van de bedrijfsactiviteiten is. Deze activiteit is volgens appellant in een recenter bestemmingsplan, “Bedrijventerrein Gelkenes West II”, aangemerkt als behorend tot categorie 5 (verwerkingscapaciteit van 100.000 ton of meer per jaar). Hij wijst erop dat uit de door het bedrijf zelf opgestelde milieueffectrapportage blijkt dat de verwerkingscapaciteit van het bedrijf 155.000 ton per jaar bedraagt.

Dit betoog faalt. In het vrijstellingsverzoek van 17 februari 2000 is verzocht om vrijstelling ten behoeve van een verwerkingscapaciteit van 80.000 ton per jaar. Dat de maximale capaciteit 155.000 ton per jaar bedraagt, betekent niet dat geen vrijstelling verleend kan worden ten behoeve van de met de aanvraag gelimiteerde capaciteit van 80.000 ton per jaar.

Uit de adviezen van het RBOI, waar het college in het vrijstellingsbesluit en de beslissing op bezwaar naar verwijst, volgt dat het afzeven van de grond een nevenactiviteit betreft, die noodzakelijk is om de grond te kunnen ontdoen van puinresten, alvorens tot reiniging van de grond wordt over gegaan. Omdat dit laatste de hoofdactiviteit van de bedrijfsactiviteiten betreft, voert het te ver om het bedrijf als een puinbreker- en puinzeverbedrijf aan te merken, aldus het RBOI.

De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de adviezen naar inhoud of totstandkoming gebreken vertonen, zodat niet kan worden staande gehouden dat het college niet in redelijkheid de adviezen van het RBOI aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Niet kan verder staande worden gehouden dat het college niet de conclusie van het RBOI kon overnemen, dat de bedrijfsactiviteiten van [partij] gelijk te stellen zijn met de bedrijfsactiviteiten van de bedrijven die in categorie 4 van de Staat van Inrichtingen zijn opgenomen, zoals bedoeld in artikel 7, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2003

47-378.