Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN8369

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2003
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
200302212/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2003, kenmerk 2002.035, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een grondverzet- en cultuurtechnisch loonbedrijf aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Hoogeloon, sectie […], nummers […] en […]. Dit besluit is op 24 februari 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 3 april 2003, bij de Raad van State ingekomen per telefax op dezelfde datum, en appellant sub 2 bij brief van 4 april 2003, bij de Raad van State ingekomen per telefax op dezelfde datum, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 1 mei 2003. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 2 mei 2003.

Bij brief van 2 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 oktober 2003, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door mr. D. Wintraecken, gemachtigde, en appellant sub 2, vertegenwoordigd door mr. M.A.J. Roelands, advocaat te Etten-Leur, en verweerder, vertegenwoordigd door J.A. Schilders, ambtenaar van de gemeente, en [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts is [vennoot] in de vennootschap onder firma [vergunninghoudster], in persoon en bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, als partij gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting zijn nog nadere stukken ontvangen van verweerder en van appellant sub 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302212/1.

Datum uitspraak: 19 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Bladel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2003, kenmerk 2002.035, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een grondverzet- en cultuurtechnisch loonbedrijf aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Hoogeloon, sectie […], nummers […] en […]. Dit besluit is op 24 februari 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 3 april 2003, bij de Raad van State ingekomen per telefax op dezelfde datum, en appellant sub 2 bij brief van 4 april 2003, bij de Raad van State ingekomen per telefax op dezelfde datum, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 1 mei 2003. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 2 mei 2003.

Bij brief van 2 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 oktober 2003, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door mr. D. Wintraecken, gemachtigde, en appellant sub 2, vertegenwoordigd door mr. M.A.J. Roelands, advocaat te Etten-Leur, en verweerder, vertegenwoordigd door J.A. Schilders, ambtenaar van de gemeente, en [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts is [vennoot] in de vennootschap onder firma [vergunninghoudster], in persoon en bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, als partij gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting zijn nog nadere stukken ontvangen van verweerder en van appellant sub 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft gesteld dat het beroep van appellant sub 2 niet-ontvankelijk is voorzover dat zich keert tegen de bevoegdheid van verweerder, de voorschriften met betrekking tot het geluidscherm, voorschrift 5.1.1.a., trillinghinder en voorschrift 6.2.1.

Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellant sub 2 heeft de gronden inzake de bevoegdheid van verweerder, de voorschriften met betrekking tot het geluidscherm, voorschrift 5.1.1.a., trillinghinder en voorschrift 6.2.1. niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Voorts heeft appellant sub 2 ook de gronden inzake het niet in gebruik kunnen zijn van de inrichting onder het vigerende bestemmingsplan, het anticiperen op een nieuwe bestemming in het bestemmingsplan, het niet onder de bestemming agrarische bedrijven vallen van de inrichting en de overschrijding van de geluidgrenswaarden voor de avond- en nachtperiode niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellant sub 2 redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellant sub 2 in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellant sub 1 stelt dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd waarom verweerder bevoegd was dit besluit te nemen.

Deze beroepsgrond is een herhaling van een door appellant sub 1 tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenking. In de considerans van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op deze bedenking. In hetgeen appellant sub 1 in zijn beroepschrift en ter zitting heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de weerlegging van de desbetreffende bedenking in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenking onjuist zou zijn. Deze beroepsgrond faalt.

2.4. Appellant sub 1 vreest voor geluidoverlast. Hij stelt dat de opgelegde geluidvoorschriften en geluidreducerende maatregelen niet toereikend zijn. Voorts stelt appellant zich op het standpunt dat de geluidvoorschriften niet nageleefd kunnen worden nu in het bestreden besluit staat vermeld dat in de avond- en nachtperiode de streefwaarden met 1 dB(A) worden overschreden. Bovendien is de kans dat het geluidscherm kan worden opgericht nihil, aldus appellant. Voorts is het in strijd met de rechtszekerheid indien eerst na oprichting controlemetingen worden verricht. Verweerder heeft geen duidelijkheid gegeven over het aantal transportbewegingen in de avond- en nachtperiode, aldus appellant.

2.4.1. Ingevolge voorschrift 5.2.1, voorzover van belang, mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten ter plaatse van de gevels van nabijgelegen woningen van derden niet meer bedragen dan 45 dB(A), 40 dB(A) en 35 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge voorschrift 5.2.2, voorzover van belang, mag het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten ter plaatse van de gevels van nabijgelegen woningen van derden niet meer bedragen dan 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.4.2. Verweerder heeft voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten directe geluidhinder hoofdstuk 4 en hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt gehanteerd.

In de Handreiking is bepaald dat zolang er nog geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld – zoals het geval is in de gemeente Bladel – bij het opstellen van de geluidvoorschriften gebruik moet worden gemaakt van de systematiek van richt- en grenswaarden zoals die in hoofdstuk 4 van de Handreiking zijn opgenomen.

In de Handreiking staan richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. Voor een rustige woonwijk, weinig verkeer, waarvan in het onderhavige geval sprake is en welke kwalificatie van de omgeving van de inrichting door appellanten niet is bestreden, gelden als richtwaarden 45, 40 en 35 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Voor het maximale geluidniveau geldt op grond van de Handreiking een voorkeursgrenswaarde van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vermeerderd met 10 dB(A) en zijn waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode ten hoogste aanvaardbaar.

Gelet op het vorenstaande, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in de voorschriften 5.2.1 en 5.2.2 opgenomen geluidgrenswaarden toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen, dan wel voldoende te beperken.

2.4.3. Voorzover appellant sub 1 betoogt dat de geluidvoorschriften niet nageleefd kunnen worden, overweegt de Afdeling dat uit het bij de aanvraag overgelegde rapport van het akoestisch onderzoek van 22 april 2001, uitgevoerd door Adviesbureau Grouls, waarvan de juistheid niet door appellant sub 1 is betwist, blijkt dat het hoogst berekende piekgeluidniveau in de avond- en nachtperiode 58 dB(A) bedraagt en aldus aan de in de voorschriften 5.2.1 en 5.2.2 opgenomen geluidgrenswaarden voldaan kan worden. Dat in de considerans van het bestreden besluit staat vermeld dat uit het akoestisch rapport blijkt dat in de avond- en nachtperiode piekgeluiden aan de gevel van de nabijgelegen woning optreden van maximaal 61 dB(A) en hiermee in de nachtperiode de streefwaarde met 1 dB(A) wordt overschreden, kan hier niet aan afdoen, nu ter zitting is gebleken dat deze passage in het bestreden besluit berust op een verschrijving en het akoestisch rapport als uitgangspunt moet gelden. De Afdeling ziet, gelet op het vorenstaande, geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de in de voorschriften 5.2.1 en 5.2.2 opgenomen geluidgrenswaarden niet na te leven zouden zijn. Hetgeen appellant sub 1 overigens heeft aangevoerd, maakt dit niet anders. Deze beroepsgrond faalt.

2.5. Appellant sub 2 stelt dat verweerder onderzocht noch onderbouwd heeft waarom verwaaiing van licht verontreinigde grond vanuit de inrichting geen schade voor de omgeving oplevert. Voorts is ten onrechte geen onderzoeksplicht in de voorschriften opgenomen ten aanzien van mogelijke stofhinder en overlast voor de omgeving. Ook is in de voorschriften, gelet op de Nederlandse Emissie Richtlijn Lucht (hierna: de NeR), ten onrechte geen voorschrift opgenomen dat bepaalt bij welke windsnelheden nog gewerkt mag worden met de licht verontreinigde grond, aldus appellant.

2.5.1. Verweerder heeft in hoofdstuk 10 van de bijlage bij het bestreden besluit een aantal voorschriften gesteld ter voorkoming van stofhinder. Zo is in voorschrift 10.1.9 bepaald dat indien verwacht kan worden dat door meteorologische omstandigheden stofverspreiding van zand of overige opgeslagen stoffen kan ontstaan, de betreffende opslag door besproeiing vochtig gehouden of op doelmatige wijze afgedekt moet worden. Verder moet, ingevolge voorschrift 10.1.10, het lossen en verplaatsen van fijnkorrelige stoffen zodanig plaatsvinden, dat zich zo min mogelijk stof in de omgeving verspreidt. En ingevolge voorschrift 10.1.11 moeten, indien tijdens het verladen, verplaatsen of zeven van fijnkorrelig materiaal, zoals zand, ten gevolge van de weersomstandigheden zoals harde wind, buiten de inrichting hinderlijke stofverspreiding optreedt, deze bedrijfsactiviteiten worden gestopt, indien geen doelmatige maatregelen, zoals het met water besproeien van het materiaal, getroffen kunnen worden. Voorts is in de aanvraag, die blijkens het bestreden besluit deel uitmaakt van de vergunning, in paragraaf 5.4 omschreven welke stuifklassen in de inrichting voorkomen en welke maatregelen, gericht op het voorkomen van stofemissies, zijn genomen en in voorkomend geval zullen worden genomen. Daarbij is onder meer ook beschreven bij welke windsnelheden de werkzaamheden worden gestaakt.

2.5.2. De Afdeling stelt, gelet op de stukken, vast dat verweerder wat betreft de voorschriften in hoofdstuk 10 van de bijlage bij het bestreden besluit, en aanvrager wat betreft paragraaf 5.4. van de aanvraag, aansluiting hebben gezocht bij het bepaalde in de NeR. Verweerder heeft zich, gelet op het vorenstaande, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet gevreesd hoeft te worden voor onaanvaardbare stofhinder in de omgeving van de inrichting en derhalve nader onderzoek naar mogelijke schade als gevolg van verwaaiing van licht verontreinigde grond vanuit de inrichting niet noodzakelijk is. Het aan de vergunning verbinden van een voorschrift in de door appellant sub 2 bedoelde zin heeft verweerder in redelijkheid niet nodig kunnen achten. Deze beroepsgrond faalt.

2.6. Appellant sub 2 betoogt dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de van de houtsingel rondom de inrichting te verwachten schade aan beplanting op zijn perceel en dat ten onrechte hieromtrent geen voorschriften zijn gesteld.

Verweerder heeft, blijkens de stukken, onderzoek verricht naar de van vallend blad en schaduw van een houtwal te verwachten schade aan de beplanting van omliggende percelen. Daarbij heeft verweerder onder meer gewezen op een publicatie uit 1997 van het Informatie- en Kenniscentrum Natuurbeheer van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit). De Afdeling ziet, mede gelet op het feit dat appellant sub 2 zijn stelling niet nader heeft onderbouwd, geen grond voor het oordeel dat het door verweerder verrichte onderzoek niet toereikend is. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet voor onaanvaardbare schade als gevolg van vallend blad en schaduw van de houtwal rondom de inrichting hoeft te worden gevreesd. Deze beroepsgrond faalt.

2.7. Het beroep van appellant sub 1 is ongegrond. Het beroep van appellant sub 2 is, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellant sub 2 niet-ontvankelijk voorzover het de bevoegdheid van verweerder, de voorschriften met betrekking tot het geluidscherm, voorschrift 5.1.1.a., trillinghinder, voorschrift 6.2.1., het niet in gebruik kunnen zijn van de inrichting onder het vigerende bestemmingsplan, het anticiperen op een nieuwe bestemming in het bestemmingsplan, het niet onder de bestemming agrarische bedrijven vallen van de inrichting en de overschrijding van de geluidgrenswaarden voor de avond- en nachtperiode betreft;

II. verklaart het beroep van appellant sub 1 geheel, en van appellant sub 2 voor het overige, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. J.R. Schaafsma, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2003

312-431.