Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN8355

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2003
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
200302685/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 augustus 2002 heeft verweerder het verzoek van appellante om handhavende maatregelen te nemen ten aanzien van de aanleg van een baggerspeciedepot in het productiebos aan de Doenkade te Hillegersberg-Schiebroek, afgewezen.

Bij besluit van 5 maart 2003, verzonden op 7 maart 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 16 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 20 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.A.C. Kooij en B.M.R.D. Menting, gemachtigden, zijn verschenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302685/1.

Datum uitspraak: 19 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging Natuur- en Vogelwacht Rotta", gevestigd te Bleiswijk,

appellante,

en

het dagelijks bestuur van deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2002 heeft verweerder het verzoek van appellante om handhavende maatregelen te nemen ten aanzien van de aanleg van een baggerspeciedepot in het productiebos aan de Doenkade te Hillegersberg-Schiebroek, afgewezen.

Bij besluit van 5 maart 2003, verzonden op 7 maart 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 16 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 20 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.A.C. Kooij en B.M.R.D. Menting, gemachtigden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.2. Appellante stelt dat er ten onrechte geen schriftelijk besluit is genomen met betrekking tot het stilleggen van de werkzaamheden.

Voorts stelt appellante dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen. In dit verband voert zij aan dat er ten tijde van het nemen van het primaire besluit geen concreet zicht was op legalisatie van de werkzaamheden. Daartoe stelt zij dat er vergunning is gevraagd voor het storten van baggerspecie van klasse 0, afkomstig uit de watergangen van de gemeente Rotterdam, maar dat er nagenoeg geen baggerspecie van deze klasse aanwezig is in dit gebied.

2.2.1. Verweerder betoogt dat de werkzaamheden die zijn verricht moeten worden aangemerkt als voorbereidingshandelingen en dat er derhalve nog geen sprake was van vergunningplichtige activiteiten. Daarbij voert verweerder aan dat in het geval deze activiteiten als vergunningplichtig worden aangemerkt, deze zijn stilgelegd zonder dat bestuurlijke maatregelen zijn toegepast. In dit verband stelt verweerder dat ten tijde van het nemen van het primaire besluit een vergunningaanvraag was ingediend en dat er concreet zicht was op legalisatie van deze activiteiten.

Tenslotte stelt hij dat de vraag of er voldoende baggerspecie van klasse 0 aanwezig is in de omgeving van Rotterdam een aspect betreft dat dient te worden beoordeeld bij vergunningverlening en buiten de reikwijdte van deze procedure valt.

2.2.2. Ingevolge artikel 5:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt een beslissing tot toepassing van bestuursdwang op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing is een beschikking.

Ingevolge het zesde lid zorgt het bestuursorgaan indien de situatie dermate spoedeisend is dat het bestuursorgaan de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen, alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking.

2.2.3. De Afdeling overweegt dat blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting de werkzaamheden vrijwillig zijn stilgelegd en dat er geen bestuursdwang is toegepast. Derhalve bestond er voor verweerder geen wettelijke verplichting om het stilleggen van de werkzaamheden schriftelijk aan appellante te bevestigen. Deze beroepsgrond is ongegrond.

2.2.4. Ten aanzien van de vraag of verweerder bevoegd was om een last onder dwangsom op leggen, overweegt de Afdeling als volgt.

Gelet op de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is voldoende vast komen te staan dat er in het productiebos werkzaamheden zijn verricht ten behoeve van het oprichten van een baggerspeciedepot. Gelet op het feit dat geen milieuvergunning was verleend voor het oprichten en in werking hebben van een baggerspeciedepot, was verweerder bevoegd een last onder dwangsom op te leggen. Het feit dat er nog geen baggerspecie was gestort en de inrichting derhalve nog niet in werking was, doet hieraan niet af.

2.2.5. De Afdeling overweegt verder dat blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting voor het nemen van het primaire besluit bij verweerder een aanvraag voor een milieuvergunning is ingediend en dat verweerder inmiddels een ontwerpbesluit heeft genomen waarbij de aangevraagde activiteiten geheel worden vergund. Daarbij neemt de Afdeling in overweging dat de vraag of er in het gebied al dan niet baggerspecie van klasse 0 aanwezig is, niet van belang is voor de vraag of de werkzaamheden vergunbaar zijn. Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk geworden dat spoedige legalisering op grond van voormelde aanvraag mogelijk is. Nu verder de werkzaamheden ten tijde van het nemen van het primaire besluit reeds waren stilgelegd, is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen afzien van het opleggen van een last onder dwangsom. Ook deze beroepsgrond treft geen doel.

2.3. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.D. Trippert-van Gemeren, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Trippert-van Gemeren

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2003

289.