Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN8342

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2003
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
200303019/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 maart 2003, kenmerk MV02-070, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een constructie-, toeleverings- en lasbedrijf, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 5 april 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 12 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 13 mei 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 9 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. D. Goris, [gemachtigde] en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door ing. M.A.C. Quist, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/646
JBO 2005/264
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303019/1.

Datum uitspraak: 19 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2003, kenmerk MV02-070, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een constructie-, toeleverings- en lasbedrijf, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 5 april 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 12 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 13 mei 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 9 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. D. Goris, [gemachtigde] en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door ing. M.A.C. Quist, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. Het beroep van appellante richt zich tegen de aan de vergunning verbonden voorschriften 5.1.1 tot en met 5.1.5, 14.1.1 en 14.2.1. In deze voorschriften is, samengevat weergegeven, bepaald dat de gedeelten van de inrichting waar ten gevolge van de bedrijfsvoering voor het milieu schadelijke (vloei)stoffen op of in de bodem kunnen komen, moeten zijn voorzien van een vloeistofdichte vloer. In deze voorschriften zijn verder eisen gesteld aan de wijze van uitvoering van deze vloer en de goedkeuring daarvan door een deskundig inspecteur.

2.3. Appellante betoogt dat verweerder de vorengenoemde bodembeschermende voorziening niet in redelijkheid heeft kunnen voorschrijven. Zij stelt dat met lekbakken in combinatie met een vloeistofkerende vloer en eventuele beheersmaatregelen een gelijkwaardig niveau van milieubescherming wordt geboden. Een dergelijke voorziening brengt volgens haar lagere kosten met zich mee. Volgens haar is verweerder ten onrechte aan het vorenstaande voorbijgegaan.

2.3.1. Verweerder stelt zich, kort weergegeven, op het standpunt dat de door hem voorgeschreven voorziening de grootst mogelijke bescherming biedt tegen de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken. Hij meent dan ook dat hij deze voorziening in redelijkheid van appellante heeft kunnen verlangen.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder ten aanzien van het door appellante gewenste maatregelenpakket erop gewezen dat in de inrichting thans een milieuzorgsysteem ontbreekt en dat verder de hoeveelheid noodzakelijke organisatorische maatregelen zodanig groot is dat de in de vergunning voorgeschreven voorziening beter handhaafbaar is. Door een onafhankelijk deskundige dient te worden beoordeeld of de voorgeschreven vloeistofdichte vloer volgens algemeen geldende normen is aangelegd, terwijl de naleving van het door appellante gewenste maatregelenpakket moeilijker is vast te stellen, aangezien een dergelijke objectieve toets daarbij ontbreekt. Ook uit een oogpunt van rechtszekerheid acht verweerder het wenselijk dat de objectiefste normstelling wordt voorgeschreven.

2.3.2. Uit de considerans van het bestreden besluit blijkt dat verweerder bij de beoordeling van de bodembedreigende activiteiten de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, Infomil, juni 2001, (hierna: de Richtlijn) heeft gehanteerd. Tussen partijen is niet in geschil dat in de onderhavige inrichting bodembedreigende activiteiten in de zin van de Richtlijn worden uitgevoerd. Deze bestaan uit de opslag van en het werken met bodemverontreinigende stoffen en producten.

Verweerder heeft ervoor gekozen dat in het onderhavige geval het risico van bodemverontreiniging tot een verwaarloosbaar risico moet worden beperkt. Deel A.3.3 van de Richtlijn bevat bodemrisico-checklisten, waarin per activiteit de effectiviteit van gangbare pakketten bodembeschermende voorzieningen en maatregelen wordt beschouwd. De voorzieningen en maatregelen zijn op elkaar afgestemd. Uitgangspunt van de Richtlijn is dat minder effectieve voorzieningen zwaardere beheermaatregelen vergen. Uit tabel 5.3 van de Richtlijn, die betrekking heeft op activiteiten in werkplaatsen, volgt dat in het geval in een bedrijf ook opslag plaatsvindt, zoals in de onderhavige inrichting, het risico van bodemverontreiniging verwaarloosbaar geacht kan worden (eindemissiescore van 1) indien een vloeistofdichte opvangvoorziening wordt aangebracht en deze voorziening voldoet aan en wordt geïnspecteerd conform de CUR/PBV-aanbeveling 44. Daarnaast moet aandacht bestaan voor de wijze van schrobwaterafvoer, en dient sprake te zijn van incidentenmanagement, gericht op algemene zorg. Een verwaarloosbaar risico wordt volgens de tabel eveneens bereikt indien een vloeistofkerende voorziening met lekbakken wordt aangebracht en daarnaast aandacht bestaat voor opslag en apparatuur, visueel toezicht wordt gehouden en sprake is van incidentenmanagement, gericht op faciliteiten en personeel. Verweerder heeft bevestigd dat met het door appellante gewenste voorziening- en maatregelenpakket in het algemeen eenzelfde bescherming tegen bodemverontreiniging wordt geboden als met een vloeistofdichte vloer en aanvullende maatregelen, maar dat in het aan de orde zijnde geval dit laatste voorziening- en maatregelenpakket een grotere milieubescherming biedt.

De Afdeling overweegt dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom in dit concrete geval met de voorgeschreven bodembeschermende voorzieningen meer bescherming aan het milieu wordt geboden dan met het door appellant gewenste maatregelenpakket, dat volgens de door verweerder bij de invulling van zijn beoordelingsvrijheid gehanteerde Richtlijn in beginsel gelijkwaardig wordt geacht. De in het verweerschrift en ter zitting gegeven motivering betreffende de rechtszekerheid en handhaafbaarheid van de voorgeschreven voorziening heeft een algemene strekking en ziet niet op het concrete geval en is mitsdien ontoereikend. Daarbij merkt de Afdeling op dat bij het beoordelen van een acceptabel beschermingsniveau als zodanig geen betekenis toekomt aan de mate waarin voorzieningen en maatregelen reeds in een inrichting zijn getroffen.

Gelet op het vorenoverwogene is het bestreden besluit wat betreft de aan de vergunning verbonden voorschriften 5.1.1 tot en met 5.1.5, 14.1.1 en 14.2.1 in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, dat vereist dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

2.4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd.

2.5. Verweerder dient op de hierna te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Purmerend van 25 maart 2003, kenmerk

MV02-070, voorzover het de aan de vergunning verbonden voorschriften 5.1.1 tot en met 5.1.5, 14.1.1 en 14.2.1 betreft;

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Purmerend op binnen 6 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Purmerend in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 440, 55, welk bedrag tot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Purmerend te worden betaald aan appellante;

V. gelast dat de gemeente Purmerend aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Van Heusden

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2003

163-404.