Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN8306

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2003
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
200202639/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 april 2002, kenmerk 415337, heeft verweerder krachtens het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) nadere eisen gesteld met betrekking tot geluid ten aanzien van een inrichting voor het opslaan en overslaan van groenten en fruit gedreven door [partij] op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 18 april 2002 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202639/1.

Datum uitspraak: 19 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2002, kenmerk 415337, heeft verweerder krachtens het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) nadere eisen gesteld met betrekking tot geluid ten aanzien van een inrichting voor het opslaan en overslaan van groenten en fruit gedreven door [partij] op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 18 april 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 14 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2002, en appellanten sub 2 bij brief van 3 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 5 juni 2002, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 26 juni 2002.

Bij brief van 12 augustus 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 20 januari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juni 2003, waar appellanten sub 1 in persoon, en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten sub 2 voeren aan dat de melding onvoldoende gegevens bevat om op te kunnen beschikken.

De Afdeling overweegt dat het doen van een melding en het voldoen van die melding aan de eisen in artikel 6 van het Besluit geen voorwaarden vormen voor de toepasselijkheid van het Besluit, en evenmin vereist zijn om gebruik te mogen maken van de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen die is neergelegd in artikel 5, eerste lid, van het Besluit. Het beroep treft derhalve in zoverre geen doel.

2.2. Volgens appellanten sub 2 is verweerder onvoldoende ingegaan op de door hen ingebrachte bedenkingen.

De Afdeling stelt vast dat verweerder op alle bedenkingen van appellanten is ingegaan, zodat artikel 3:27 van de Algemene wet bestuursrecht niet is geschonden. De overwegingen van verweerder – wat daarvan verder ook zij – dienen ter motivering van het bestreden besluit en kunnen van belang zijn voor de door de Afdeling te verrichten rechtmatigheidstoets van het bestreden besluit, maar komen als zodanig niet voor vernietiging in aanmerking.

2.3. Appellanten sub 2 betwijfelen of de inrichting valt onder de werking van het Besluit aangezien binnen de inrichting ook bewerking van producten plaatsvindt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a van het Besluit is het van toepassing op een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor het opslaan, overslaan en transporteren over de weg van goederen of producten. In artikel 3 van het Besluit is bepaald in welke gevallen het Besluit niet van toepassing is op een inrichting als bedoeld in artikel 2.

Blijkens de melding is er in de onderhavige zaak sprake van een inrichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a van het Besluit aangezien de inrichting in hoofdzaak is bestemd voor het opslaan, overslaan en transporteren over de weg van groenten en fruit. Het bewerken van producten, zoals dat in de inrichting plaatsvindt, wordt niet als uitzonderingssituatie aangemerkt in artikel 3 van het Besluit. Voorts is niet gebleken van één van de wel in dit artikel genoemde gevallen.

Gelet hierop heeft verweerder het Besluit terecht van toepassing geacht.

2.4. Appellanten menen dat verweerder ten aanzien van geluidhinder strengere nadere eisen had moeten stellen. Appellanten sub 1 richten zich in dit licht bezien tegen hantering van het “Geluidsbeheerplan Bedrijventerrein Veren Ambacht; (Gemeentelijke geluidsnota Industrielawaai van de gemeente Ridderkerk)” (hierna: het GBP) en het “Akoestisch inrichtingsplan bedrijventerrein Veren Ambacht te Ridderkerk” (hierna: het akoestisch inrichtingsplan). Appellanten sub 2 voeren in dat kader aan dat zij geluidhinder vanwege de luchtcondensors op het dak van de verwerkingsruimte en de koelmotorunits van de geparkeerde vrachtauto’s vrezen.

2.4.1. Verweerder heeft op basis van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van 21 oktober 1998 (hierna: de Handreiking) het GBP en het daarbij behorende akoestisch inrichtingsplan opgesteld. Verweerder heeft bij het stellen van de onderhavige nadere eisen dit gemeentelijk geluidbeleid gehanteerd. De Afdeling heeft bij uitspraak van 28 mei 2003, no. 200100090/2, geoordeeld dat hantering van voormeld geluidbeleid niet in strijd is met het recht, in welk oordeel hetgeen appellanten sub 1 thans aanvoeren omtrent dit beleid expliciet is betrokken.

Wat betreft het door appellanten sub 2 aangevoerde omtrent de luchtcondensors en de koelmotorunits overweegt de Afdeling als volgt.

Het GBP stelt het in acht nemen van de cumulatieve beschermingswaarden voorop. De inrichting is gelegen op het bedrijventerrein “Veren Ambacht”. De gecumuleerde geluidbelasting vanwege dit bedrijventerrein op de gevels van woningen is vastgesteld op ten hoogste 52 dB(A) dan wel op 54 dB(A). Om de grenswaarden te kunnen naleven is een geluidverkavelingsplan opgesteld waarin voor iedere kavel een geluidbudget is vastgesteld. Het GBP voorziet in de mogelijkheid om van het akoestisch inrichtingsplan af te wijken onder de voorwaarde dat de grenswaarden niet worden overschreden. De emissie- en immissiebudgetten die in het akoestisch inrichtingsplan zijn genoemd moeten in dit licht worden beschouwd; zij staan ten dienste van de cumulatieve beschermingswaarden.

De opgelegde geluidgrenswaarden in de nadere eisen zijn afgestemd op de geluidbelasting vanwege de inrichting, zoals berekend in het akoestisch rapport van Akoestisch Adviesburo [naam] van 26 oktober 2001, welk rapport behoort bij de melding. Ter plaatse van bepaalde woningen veroorzaakt de geluidbelasting vanwege de luchtcondensors en de koelmotoren gedurende de avond- en nachtperiode een overschrijding van het daar geldende immissiebudget, zo concludeert de Afdeling uit het akoestisch rapport. De Afdeling ziet, mede gelet op het deskundigenbericht, geen grond om aan de deugdelijkheid van dit akoestisch onderzoek en de daarin gehanteerde bronvermogens te twijfelen. In de nadere eisen 5 tot en met 7 heeft verweerder, overeenkomstig het aanbevolene in het akoestisch rapport, een aantal maatregelen voorgeschreven die ertoe leiden dat de geluidbelasting vanwege de koelmotorunits wordt teruggebracht. Wat betreft de resterende overschrijding van de evenbedoelde immissiebudgetten, veroorzaakt door de geluidbelasting vanwege de luchtcondensors, overweegt de Afdeling dat uit de stukken niet gebleken is dat de bijdrage van de onderhavige inrichting aan de gecumuleerde geluidbelasting vanwege de thans op het bedrijventerrein aanwezige inrichtingen zodanig is dat deze geluidbelasting daardoor merkbaar wordt beïnvloed. Gelet hierop en op het verhandelde ter zitting is het dan ook aannemelijk dat de overschrijding van de betreffende immissiebudgetten niet leidt tot overschrijding van de cumulatieve beschermingswaarden.

De Afdeling ziet in hetgeen door appellanten is aangevoerd dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ter voorkoming van onaanvaardbare geluidhinder na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen beperken tot de door hem gestelde nadere eisen dan wel onderzoek had moeten doen naar geluidreducerende maatregelen.

2.5. Appellanten sub 2 vrezen geluidhinder door aan- en afrijdend verkeer.

2.5.1. Voorzover appellanten sub 2 hiermee betogen dat verweerder wat betreft deze geluidhinder een nadere eis had moeten stellen overweegt de Afdeling als volgt.

2.5.2. In artikel 5, eerste lid, onder b, van het Besluit, voor zover hier van belang, is bepaald dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen met betrekking tot de gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting en de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken waarop voorschrift 1.8.1 van de bijlage bij dat Besluit betrekking heeft, indien dat bijzonder is aangewezen in het belang van de bescherming van het milieu.

2.5.3. In het bij de melding overgelegde akoestisch rapport is de geluidbelasting afkomstig van aan- en afrijdend verkeer afgezet tegen de in de circulaire van de minister van VROM van 29 februari 1996 inzake “Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting” opgenomen voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Uit het rapport blijkt dat bij het aantal gemelde verkeersbewegingen voor de woningen in de directe omgeving van de inrichting ruimschoots wordt voldaan aan die voorkeursgrenswaarde.

Gesteld noch gebleken is dat het akoestisch rapport op dit punt onjuist zou zijn. De Afdeling is, gelet hierop, van oordeel dat verweerder zich, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat nadere eisen met betrekking tot geluidhinder door aan- en afrijdend verkeer achterwege konden worden gelaten.

2.6. Voorzover appellanten sub 2 betogen dat ten aanzien van geurhinder eveneens nadere eisen zouden moeten worden gesteld, betreft het een grond die niet is gericht tegen de bij het bestreden besluit opgelegde nadere eisen en derhalve niet kunnen leiden tot vernietiging van dit besluit.

2.7. De beroepen zijn ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Scheerhout, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Scheerhout

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2003

318.