Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN7979

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-11-2003
Datum publicatie
12-11-2003
Zaaknummer
200306605/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juli 2003, kenmerk 530274, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoeker een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het importeren, exporteren, bewaren en bewerken van gebruikte vrachtwagens, vrachtwagenonderdelen, wrakken van vrachtwagens/schadeauto's, compressoren en de onderdelen daarvan op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [-], nummer [-]. Dit besluit is op 25 augustus 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306605/2.

Datum uitspraak: 6 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 2003, kenmerk 530274, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoeker een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het importeren, exporteren, bewaren en bewerken van gebruikte vrachtwagens, vrachtwagenonderdelen, wrakken van vrachtwagens/schadeauto's, compressoren en de onderdelen daarvan op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [-], nummer [-]. Dit besluit is op 25 augustus 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 3 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Bij brief van 3 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 oktober 2003, waar verzoeker, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door

I. Wulffelé en ing. A. Oldenkamp, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Verzoeker heeft betoogd dat het aan de vergunning verbonden voorschrift 11.4.10, waarin, kort gezegd, is bepaald van welke stoffen, preparaten of andere producten (bedrijfs)autowrakken moeten worden ontdaan, onnodig bezwarend is. In dit verband heeft hij onder meer aangevoerd dat verweerder zich bij het stellen van dit voorschrift ten onrechte heeft gebaseerd op voorschrift C, onder 6, van de Bijlage behorende bij artikel 5, eerste lid, van het Besluit beheer autowrakken (hierna: het Bba). Naar zijn mening ziet het Bba uitsluitend op autowrakken zoals die zijn gedefinieerd in artikel 1, onder a en b, van het Besluit, en niet op bedrijfsautowrakken zwaarder dan 3500 kilogram.

2.3. Verweerder heeft betoogd dat hij bij de invulling van zijn beoordelingsvrijheid met betrekking tot het doelmatig beheer van vrachtautowrakken aansluiting heeft gezocht bij sectorplan 11 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2002 – 2012 (hierna: het LAP). In dit plan is het beleid weergegeven ten aanzien van autoafval, waaronder onder meer wordt begrepen autowrakken als bedoeld in het Bba. Voor het be- en verwerken van autowrakken is de demontage volgens de voorschriften van het Bba als minimumstandaard aanbevolen. Gelet op de aanbeveling in het sectorplan om voor het beheer van andere wrakken aan te sluiten bij dit sectorplan, heeft verweerder gemeend dat wat de demontage van bedrijfsautowrakken zwaarder dan 3500 kilogram betreft eveneens aansluiting kan worden gezocht bij de voorschriften uit het Bba. Naar zijn mening is voorschrift 11.4.10 niet onnodig bezwarend.

2.4. De Voorzitter overweegt dat de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift 11.4.10 nodig is voor het doelmatig beheer van afvalstoffen en of bij het stellen van dit voorschrift aansluiting had kunnen worden gezocht bij sectorplan 11 van het LAP nader onderzoek vergt, waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent. Bovendien heeft verweerder ter zitting desgevraagd meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen schorsing van het bestreden besluit totdat de Afdeling over het geschil uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat de bestaande bedrijfsvoering zodanig is dat de mogelijke nadelige gevolgen voor het milieu zich keren tegen een voortzetting daarvan, in ieder geval in afwachting van de behandeling van het geding in de bodemprocedure, ziet de Voorzitter na afweging van de betrokken belangen aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân van 29 juli 2003, kenmerk 530274, voorzover het het aan de vergunning verbonden voorschrift 11.4.10 betreft;

II. gelast dat de provincie Fryslân aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Heijerman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2003

255-361.