Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN7924

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-11-2003
Datum publicatie
11-11-2003
Zaaknummer
200305291/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft bij besluit van 20 juni 2003, nr. RE2002.100986, een vergunning onder voorschriften ingevolge de Ontgrondingenwet verleend aan GEM Waalsprong C.V. te Nijmegen voor het ontgronden van de percelen, kadastraal bekend gemeente Nijmegen, sectie […], nrs. […], […], […], […], […], […] en […].

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 11 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 oktober 2003.

Bij eerstgenoemde brief hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305291/2.

Datum uitspraak: 6 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 20 juni 2003, nr. RE2002.100986, een vergunning onder voorschriften ingevolge de Ontgrondingenwet verleend aan GEM Waalsprong C.V. te Nijmegen voor het ontgronden van de percelen, kadastraal bekend gemeente Nijmegen, sectie […], nrs. […], […], […], […], […], […] en […].

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 11 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 oktober 2003.

Bij eerstgenoemde brief hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 oktober 2003, waar verzoekers, in de persoon van [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door G. van der Werff, ambtenaar bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord GEM Waalsprong C.V., vertegenwoordigd door mr. B.J.L. Cornielje, gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De ontgrondingsvergunning hangt samen met de bouw van woningen in de Nijmeegse Vinex-locatie de Waalsprong. Binnen deze woningbouwlocatie, die is onderverdeeld in zogenoemde “vlekken”, moeten waterpartijen worden aangelegd ten behoeve van de afwatering. De bestreden ontgrondingsvergunning maakt de aanleg van een waterpartij mogelijk binnen Woonpark Oosterhout, [locatie 1].

2.3. Verzoekers, die een melkrundveehouderij en jongveebedrijf hebben in de Dorpsstraat in Oosterhout, kunnen zich niet met het besluit tot vergunningverlening verenigen. Zij stellen dat de watergang langs hun weiland door de ontgronding in een open verbinding komt te staan met een aan te leggen riooloverstort. Verzoekers vrezen daarom dat hun melk- en jongvee ziek zal worden door het drinken van water uit de watergang.

2.4. Verweerder heeft overwogen dat het watersysteem van Woonpark Oosterhout, bestaande uit de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3], één geheel vormt. In deze vlekken zijn of worden gescheiden rioolsystemen aangelegd. Dit houdt in dat alleen schoon regenwater, dat op de verharding (wegen en daken) binnen deze vlekken valt, in het oppervlaktewatersysteem terecht komt. Het vuilwaterriool is niet met het regenwaterriool verbonden. Riooloverstorten op oppervlaktewater vinden in principe niet plaats. Een uitzondering hierop is de nooduitlaat in [locatie 3], die in zeer extreme situaties geringe hoeveelheden rioolwater (eens in de tien jaar) kan lozen op het oppervlaktewater. Dit heeft geen tot nauwelijks invloed op de kwaliteit van het oppervlaktewater en zeker niet aan de zijde van [locatie 1], aldus verweerder. Hij concludeert dan ook dat slechts schoon regenwater in het oppervlaktewater, zijnde de watergangen, terecht komt, zodat dit watersysteem geen gevaar oplevert voor het vee dat van het water drinkt.

2.5. Hetgeen verzoekers hebben aangevoerd, leidt de Voorzitter niet tot het oordeel dat verweerder dit standpunt niet in redelijkheid heeft kunnen innemen. Verder is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de watergang langs het weiland van verzoekers in de eerste fase van de aanleg van het watersysteem zal worden verontreinigd.

Gelet op het vorenstaande behoeft naar het oordeel van de Voorzitter niet te worden gevreesd voor ziekte onder het vee als gevolg van de ontgronding.

2.6. Ook in hetgeen verzoekers overigens hebben aangevoerd ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek dient daarom te worden afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Breunese-van Goor

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2003

208.