Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN7923

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-11-2003
Datum publicatie
11-11-2003
Zaaknummer
200305231/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft de gemeenteraad van Maasdriel het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Bij besluit van 10 juni 2003, kenmerk RE2002.113511, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 7 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2003, beroep ingesteld. Bij brief van 7 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2003, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De gronden van het verzoek zijn aangevuld bij brieven van 8 oktober 2003 en 16 oktober 2003.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305231/2.

Datum uitspraak: 3 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker A], gevestigd te [plaats], en [verzoeker B],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft de gemeenteraad van Maasdriel het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Bij besluit van 10 juni 2003, kenmerk RE2002.113511, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 7 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 7 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2003, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De gronden van het verzoek zijn aangevuld bij brieven van 8 oktober 2003 en 16 oktober 2003.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 oktober 2003, waar verzoekers, in de persoon van [verzoeker B] (directeur van [verzoeker A] en vertegenwoordigd door mr. Y.J. van Amelsvoort, advocaat te ’s-Hertogenbosch zijn verschenen.

Verweerder is niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in een nieuwe planologische regeling voor het buitengebied van Maasdriel. Verweerder heeft ambtshalve aan het gehele plan goedkeuring onthouden.

2.3. Verzoekers zijn van mening dat verweerder het plan, voor zover het hun bedrijf betreft, had kunnen goedkeuren.

Verzoekers wensen hun bedrijf dat sinds 1998 op bedrijventerrein De Voorne in het plangebied is gevestigd, uit te breiden. Deze uitbreiding, waar het vastgestelde plan in voorzag, kan door de algehele onthouding van goedkeuring niet, althans niet op korte termijn, plaatsvinden.

Volgens verzoekers is een spoedige uitbreiding van hun bedrijf noodzakelijk. Zij vragen de Voorzitter een zodanige voorlopige voorziening te treffen dat het plan deze uitbreiding niet in de weg staat.

2.4. De Voorzitter overweegt dat de door verzoekers gevraagde voorlopige voorziening, inhoudende dat zij kunnen handelen alsof het plandeel in kwestie is goedgekeurd, in het algemeen te verstrekkend is. In beginsel wordt een dergelijke voorlopige voorziening dan ook niet getroffen. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Een dergelijke omstandigheid kan zijn dat vast staat dat het college van gedeputeerde staten kon volstaan met een gedeeltelijke onthouding van goedkeuring.

De Voorzitter is van oordeel dat deze situatie zich hier niet voordoet.

Verweerder heeft goedkeuring aan het plan onthouden omdat hij van mening is dat het plan op verschillende onderdelen, die verweerder in zijn besluit bespreekt, niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Op pagina 12, onder V, van het bestreden besluit overweegt verweerder dat het plan ook om andere redenen, zoals de regeling voor bedrijventerreinen, niet voor goedkeuring in aanmerking komt. Uit de stukken blijkt voorts dat bij verweerder twijfels bestaan over de aanvaardbaarheid van de door verzoekers gewenste uitbreidingsmogelijkheden gelet op het provinciale beleid voor uitbreiding van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied.

De stelling van verzoekers dat verweerder geen bezwaren heeft tegen de planregeling voor hun perceel en dat hij dit plangedeelte daarom buiten de onthouding van goedkeuring had kunnen laten, acht de Voorzitter dan ook onjuist.

Ter zitting is bovendien gebleken dat verzoekers in Kerkdriel, op 12 kilometer afstand van de bedrijfsvestiging in Heerewaarden, extra ruimte hebben gehuurd om hun ruimtegebrek op te lossen. Dit is een tijdelijke oplossing die voor verzoekers extra kosten met zich brengt. De Voorzitter acht deze nadelen echter niet zo bezwarend dat verzoekers een definitief oordeel over de gewenste uitbreidingsmogelijkheden niet kunnen afwachten.

Gelet op het voorgaande ziet de Voorzitter geen aanleiding af te wijken van het eerder genoemde uitgangspunt dat de gevraagde voorlopige voorziening te verstrekkend is en daarom in beginsel niet wordt getroffen.

2.5. De Voorzitter wijst het verzoek dan ook af.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Nollen, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Nollen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2003

332.