Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN7906

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2003
Datum publicatie
12-11-2003
Zaaknummer
200301619/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals dat luidde tot 3 april 2000, bouwvergunning en vrijstelling verleend voor het oprichten van een woning aan de [locatie] in [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301619/1.

Datum uitspraak: 12 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], wonend te [woonplaats], en de Vereniging voor natuurbehoud & milieubeheer in Midden- en Noord-Oost-Brabant Het Groene Hart, gevestigd te Den Dungen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 30 januari 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals dat luidde tot 3 april 2000, bouwvergunning en vrijstelling verleend voor het oprichten van een woning aan de [locatie] in [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 11 mei 2001 heeft het college het daartegen door [appellant A] en [appellante B] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 18 december 2001 heeft het college het daartegen door de Vereniging voor natuurbehoud & milieubeheer in Midden- en Noord-Oost-Brabant Het Groene Hart gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 januari 2003, verzonden op 31 januari 2003, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het tegen die besluiten door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 13 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 april 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 mei 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 12 september 2003 hebben appellanten nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door [appellant A], en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J. Klok-Lok, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [vergunninghouder], bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan betreft het oprichten van een woning naast een reeds bestaande woning op het perceel. De reeds bestaande woning is opgericht nadat de zich destijds ter plaatse bevindende boerderij was afgebrand. Uit de stukken is gebleken dat deze boerderij, waarvoor op 14 januari 1981 een bouwvergunning is afgegeven, een breedte van 24 m en een diepte van 11 m had.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Het Bramersland 1e herziening”, dat op 29 september 1981 is vastgesteld, heeft het perceel de bestemming “woningen, stratenmakersbedrijf toegestaan”.

Ingevolge artikel 14a, lid A, aanhef en onder I, mag de tot “woningen, stratenmakersbedrijf toegestaan” bestemde grond uitsluitend worden bebouwd met gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze bestemming, met dien verstande dat:

1. niet meer dan één woning per begrenzing van de bestemming mag worden gebouwd;

2. een woning uitsluitend mag worden gebouwd binnen de op de plankaart aangegeven bebouwingsvlakken I waarbij de volgende maten moeten worden aangehouden:

a. breedte: niet minder dan 20 m.;

b. inhoud: 800 – 1500 m3.;

c. (…).

2.3. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan omdat het een tweede woning op het perceel betreft en het bebouwingsvlak wordt overschreden. Teneinde niettemin realisering van het bouwplan mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van de zogeheten anticipatieprocedure bouwvergunning verleend.

2.4. De beslissing om al dan niet te anticiperen dient te berusten op een afweging van het belang van onmiddellijke uitvoering van het bouwplan tegen het belang dat eerst de uitkomst van de bestemmingsplanprocedure dient te worden afgewacht. Daarbij is de te verlangen mate van spoedeisendheid afhankelijk van de omvang van de inbreuk op het geldende planologische regime alsmede van de uitstraling die het project op de omgeving heeft. Indien de inbreuk op de bestaande planologische situatie gering is, behoeven minder zware eisen gesteld te worden aan de mate van spoedeisendheid van het bouwplan en aan het planologische kader op basis waarvan medewerking aan de voorgenomen bouw wordt gevraagd.

2.5. Appellanten betogen tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan slechts in geringe mate inbreuk maakt op het planologisch regime.

Ingevolge artikel 14a, lid A, onder I, van de planvoorschriften is binnen het bebouwingsvlak een woning van maximaal 1500 m3 toegestaan. Uit de stukken is gebleken dat de reeds bestaande en de tweede woning, waar het bouwplan op ziet, gezamenlijk die bouwmassa niet overschrijden. Voorts is ter zitting toegelicht dat het college met de vrijstelling heeft beoogd bewoning van de ingevolge het bestemmingsplan toegestane bouwmassa door twee gezinnen in plaats van één mogelijk te maken en medewerking te verlenen aan de overschrijding van het bebouwingsvlak. Het betoog van appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant niet van deze overschrijding op de hoogte was, kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel, nu, blijkens het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank, namens het college van gedeputeerde staten is verklaard dat de overschrijding van het bouwblok geen aanleiding zou zijn geweest om de verklaring van geen bezwaar te weigeren. Ter zitting is verder toegelicht dat de overschrijding van het bebouwingsvlak haar oorsprong vindt in de omstandigheid dat de bestaande woning, na het afbranden van de boerderij, niet geheel langs de rand van het bebouwingsvlak is opgericht. De woning waar het bouwplan op ziet is aan de bestaande woning gebouwd, als gevolg waarvan het bebouwde oppervlak ten opzichte van het bebouwingsoppervlak in enige mate is opgeschoven. Mede gelet op de omstandigheid dat de twee woningen tezamen een logische eenheid binnen de ingevolge het bestemmingsplan toegelaten bouwmassa vormen, acht de Afdeling het standpunt van het college dat het bouwplan slechts een geringe overschrijding van het bebouwingsvlak tot gevolg heeft niet onjuist. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de stukken is gebleken dat het perceel zich in een gebied bevindt waarin de woonfunctie voorop staat. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat sprake is van een geringe inbreuk op het planologische regime. Daarom kan niet worden staande gehouden dat het planologische kader, bestaande uit een ten behoeve van het bouwplan genomen voorbereidingsbesluit, niet voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld.

2.6. Appellanten betogen voorts dat het bouwplan de cultuurhistorische waarde schaadt, omdat het bouwplan verdere verstening en toenemende intensiteit van de woonfunctie tot gevolg heeft.

Het bestemmingsplan staat ter plaatse een bouwmassa van 1500 m3 toe, en, zoals reeds is overwogen, wordt die massa door het bouwplan niet overschreden. Voorts kan niet worden staande gehouden dat bewoning door een (extra) gezin het behoud van de door appellanten omschreven waarde in gevaar zou brengen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het perceel deel uitmaakt van een woongebied. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de overschrijding van het bebouwingsvlak die waarde schaadt. Derhalve kan niet staande worden gehouden dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan geen nadelige gevolgen voor de cultuurhistorische waarde heeft.

2.7. In de planvoorschriften kan voorts geen aanknopingspunt gevonden worden voor het betoog van appellanten dat het bebouwingsvlak niet benut mag worden omdat zich op het perceel bedrijfsbebouwing bevindt die volgens hen niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Die omstandigheid kan immers niet afdoen aan het feit dat ingevolge artikel 14a, lid A, aanhef en onder I, onderdeel 2, sub b, van de planvoorschriften woonbebouwing van 1500 m3 is toegestaan.

2.8. Appellanten betogen ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat zij hun stelling dat het bouwplan ongewenste precedentwerking tot gevolg heeft wel nader hebben onderbouwd, nu zij hebben gewezen op het gevaar van eventuele toekomstige gelijke gevallen.

Dit betoog kan evenmin leiden tot het daarmee beoogde doel, omdat niet is gebleken dat zich in het plangebied een vergelijkbaar bebouwingsoppervlak van 1500 m3 bevindt.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2003

378.