Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN7901

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2003
Datum publicatie
12-11-2003
Zaaknummer
200302249/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2001 heeft de raad van de gemeente Graft-De rijp (hierna: de raad) met toepassing van artikel 21, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) verklaard dat een bestemmingsplan wordt voorbereid voor de delen van het plangebied van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied” met de bestemming “agrarische doeleinden” met de toevoeging “wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van nieuwe agrarische bouwstede” die gelegen zijn ten noorden van het Noord-Hollands kanaal en zoals een en ander is aangegeven op de bij dit besluit behorende situatieschets.

Bij besluit van 28 juni 2001 heeft de raad het daartegen onder meer door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 februari 2003, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank te Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen onder meer door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 7 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 juni 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302249/1.

Datum uitspraak: 12 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Karnemelkspolder B.V., gevestigd te Wormerveer,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Alkmaar van 25 februari 2003 in het geding tussen:

appellante

en

de raad van de gemeente Graft-De rijp.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2001 heeft de raad van de gemeente Graft-De rijp (hierna: de raad) met toepassing van artikel 21, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) verklaard dat een bestemmingsplan wordt voorbereid voor de delen van het plangebied van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied” met de bestemming “agrarische doeleinden” met de toevoeging “wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van nieuwe agrarische bouwstede” die gelegen zijn ten noorden van het Noord-Hollands kanaal en zoals een en ander is aangegeven op de bij dit besluit behorende situatieschets.

Bij besluit van 28 juni 2001 heeft de raad het daartegen onder meer door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 februari 2003, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank te Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen onder meer door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 7 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 juni 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 2 juli 2003 heeft de raad van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. G. Kramer, advocaat te Alkmaar, en de raad, vertegenwoordigd door N.C.M. Deckwitz, wethouder en M.C. Deinum, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad verklaren dat een bestemmingsplan wordt voorbereid (voorbereidingsbesluit).

Ingevolge het vierde lid vervalt een besluit, als bedoeld in het eerste lid, indien niet binnen één jaar na de datum van inwerkingtreding daarvan het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd.

2.2. Niet in geschil is dat binnen de periode van een jaar na 21 maart 2001, de datum waarop het voorbereidingsbesluit in werking is getreden, geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd. Dat brengt mee dat het besluit op 21 maart 2002 is vervallen. Dat de raad op 16 mei 2002 respectievelijk 15 mei 2003 nieuwe voorbereidingsbesluiten van dezelfde strekking heeft genomen, kan daaraan niet afdoen. Laatstgenoemde besluiten houden niet in dat de geldigheidsduur van het eerder genomen voorbereidingsbesluit is verlengd, doch dat – opnieuw – toepassing is gegeven aan meergenoemd artikel 21, eerste lid. Het vorenstaande leidt ertoe dat appellante ten tijde van de uitspraak van de rechtbank geen belang meer had bij een rechtelijke beoordeling van het besluit van 28 juni 2001.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van appellante tegen het besluit van 28 juni 2001 niet-ontvankelijk verklaren.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het griffierecht dient door de Secretaris van de Raad van State aan appellante te worden terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Alkmaar van 25 februari 2003, in zaak nr. WRO 01/1265;

III. verklaart het door appellante bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk;

IV. gelast dat de Secretaris van de Raad van State aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 348,00 terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Roosmalen

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2003

53-406.