Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN7872

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2003
Datum publicatie
12-11-2003
Zaaknummer
200300083/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 mei 2001 heeft het bureau rechtsbijstandsvoorziening van appellant een verzoek van [verzoeker] om een toevoeging als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb), met toepassing van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wrb in samenhang met artikel 3, aanhef en onder b, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (Brt), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300083/1.

Datum uitspraak: 12 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Raad voor rechtsbijstand te Leeuwarden,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 25 november 2002 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2001 heeft het bureau rechtsbijstandsvoorziening van appellant een verzoek van [verzoeker] om een toevoeging als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb), met toepassing van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wrb in samenhang met artikel 3, aanhef en onder b, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (Brt), afgewezen.

Bij besluit van 28 januari 2002 heeft appellant het daartegen door [verzoeker] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard, zulks overeenkomstig het advies van de Commissie voor bezwaar en beroep van 14 december 2001.

Bij uitspraak van 25 november 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank), voorzover hier van belang, het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 30 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 3 januari 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 februari 2003. Laatstgenoemde brief is aangehecht.

Bij brief van 27 februari 2003 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door [gemachtigde], is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wrb wordt rechtsbijstand niet verleend indien het daartoe strekkende verzoek kennelijk van elke grond is ontbloot.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder b, van het Brt, wordt rechts- bijstand als zijnde van elke grond ontbloot niet verleend indien het verzoek betrekking heeft op een vordering of verweer waarvoor de rechtzoekende geen of een volstrekt ontoereikende grond verschaft.

2.2. Op 4 augustus 1997 is mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, aan [verzoeker] toegevoegd ten behoeve van het verlenen van rechtsbijstand ter zake van bezwaar tegen de schorsing c.q. beëindiging van [verzoeker]'s bijstandsuitkering. Daarnaast heeft deze gemachtigde namens [verzoeker] verzocht om afgifte van een - tweede - toevoeging ten behoeve van aan [verzoeker] te verlenen rechtsbijstand in verband met het voeren van een voorlopige voorzieningsprocedure inzake bovengenoemde schorsing c.q. beëindiging.

2.2.1. Bij besluit van eveneens 4 augustus 1997, zoals gehandhaafd bij besluit op administratief beroep van 22 oktober 1997, is [verzoeker] deze tweede toevoeging geweigerd. Hieraan is ten grondslag gelegd dat in het kader van de eerder afgegeven toevoeging geen hoorzitting had plaatsgevonden, zodat geen sprake was van een zaak als vermeld in Bijlage I B bij het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 1994 en dus ook niet werd voldaan aan het criterium diversiteit van procedures in het geval er sprake is van hetzelfde rechtsbelang. De te verlenen rechtshulp kon derhalve onder de eerste toevoeging plaatsvinden. Bij uitspraak van 1 februari 1999 heeft de rechtbank het beroep van [verzoeker] hiertegen ongegrond verklaard.

2.3. Vervolgens is op 9 februari 1999 namens [verzoeker] opnieuw een aanvraag om een toevoeging ingediend, nu ten behoeve van aan hem te verlenen rechtsbijstand in verband met het voeren van een hoger beroepsprocedure tegen bovengenoemde uitspraak van de rechtbank. Dit verzoek, dat is behandeld onder nr. 5AO9879, is - na een tijd aangehouden te zijn geweest op verzoek van de gemachtigde van [verzoeker] - bij besluit van 1 mei 2001 afgewezen aangezien het hier uitsluitend het belang van de rechtsbijstandverlener betreft nu de rechtzoekende geen rechtsbijstand was onthouden.

Bij het thans aan de orde zijnde besluit van 28 januari 2002 - zoals weergegeven in de aangevallen uitspraak - heeft appellant deze afwijzing gehandhaafd.

2.4. De rechtbank heeft overwogen - samengevat weergegeven - dat de rechtzoekende, [verzoeker] , wel belang heeft bij een procedure met betrekking tot de weigering van vorengenoemde tweede toevoeging. Het gaat om het verkrijgen van een rechtsoordeel inzake de eerdere weigering van een toevoeging waarbij het oordeel dat ten onrechte is geweigerd, ertoe zou kunnen leiden dat alsnog die toevoeging wordt verstrekt, aldus de rechtbank.

2.5. Appellant bestrijdt in hoger beroep dit oordeel van de rechtbank, waarbij hij nogmaals heeft benadrukt dat de rechtzoekende geen rechtsbijstand op basis van een toevoeging is geweigerd aangezien de werkzaamheden onder het bereik van de eerste toevoeging vallen. Aldus gaat het nog slechts om het belang van de rechtsbijstandverlener. Volgens appellant heeft de rechtbank een te enge belangentoets aan de beoordeling van de toevoegingsaanvraag ten grondslag gelegd, door ervan uit te gaan dat alleen al het voeren van een procedure over een toevoeging als toevoegwaardig belang moet worden aangemerkt aangezien in die situatie steeds sprake zou zijn van geïndividualiseerde belangenbehartiging.

2.6. De Afdeling stelt voorop, zoals zij ook heeft overwogen in haar uitspraak van 30 juli 2003 in zaak no. 200204116/1, dat het belang van de rechtzoekende niet kan worden bepaald door als uitgangspunt te nemen dat de desbetreffende aanvraag om een toevoeging terecht is afgewezen. Immers, in de daarop betrekking hebbende procedure staat de vraag centraal of die aanvraag wel terecht is afgewezen.

De omstandigheid dat [verzoeker] van mening was dat hij op grond van de Wrb wel aanspraak had op rechtsbijstand op basis van een toevoeging, ook als het gaat om een tweede toevoeging als genoemd in overweging 2.2., betekent dat hij in principe een belang had bij het instellen van beroep tegen de weigering ervan, zowel processueel als materieel. De Afdeling ziet niet in waarom dit slechts een belang van de rechtsbijstandverlener zou zijn.

In de procedure tussen partijen tegen de eerdergenoemde uitspraak van de rechtbank van 1 februari 1999, die heeft geleid tot de Afdelingsuitspraak van 13 januari 2000, no. H01.99.0239, is er impliciet van uitgegaan dat bij [verzoeker] belang aanwezig was. Hetgeen appellant heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat dit in de onderhavige procedure, waarbij het gaat om een toevoeging in verband met het voeren van de hoger beroepsprocedure tegen de uitspraak van 1 februari 1999, anders zou moeten liggen. Beide procedures zijn immers materieel ten nauwste met elkaar verbonden. Ook in de uitspraak van 15 oktober 1999, nos. H01.99.0159 t/m H01.99.0163 - gepubliceerd in AB 2000, 2 - is al impliciet belang aangenomen van rechtzoekenden bij een procedure tegen de weigering van een toevoeging omdat de desbetreffende werkzaamheden al onder het bereik van een andere toevoeging zouden vallen.

2.7. Uit het vorenoverwogene volgt dat de rechtbank terecht en op juiste gronden tot het oordeel is gekomen dat het bij haar bestreden besluit van 28 januari 2002 een deugdelijke motivering ontbeert. Appellant heeft bij de beantwoording van de vraag of [verzoeker] in aanmerking komt voor een toevoeging ten onrechte geen individuele, materiële toets verricht.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren w.g. Dallinga

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2003

18-384.