Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN7860

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2003
Datum publicatie
12-11-2003
Zaaknummer
200206072/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2002, kenmerk 415732, heeft verweerder krachtens het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) nadere eisen gesteld met betrekking tot geluid ten aanzien van een inrichting voor het opslaan, overslaan, om- en verpakken en transporteren over de weg van fruit gedreven door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ''Zwaardfruit BV'' op het adres Handelsweg 180 te Ridderkerk. Dit besluit is op 3 oktober 2002 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206072/1.

Datum uitspraak: 12 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2002, kenmerk 415732, heeft verweerder krachtens het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) nadere eisen gesteld met betrekking tot geluid ten aanzien van een inrichting voor het opslaan, overslaan, om- en verpakken en transporteren over de weg van fruit gedreven door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Zwaardfruit BV” op het adres Handelsweg 180 te Ridderkerk. Dit besluit is op 3 oktober 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 13 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 14 februari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 18 juni 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2003, waar [appellanten], en verweerder, vertegenwoordigd door M.M.W. Schrier, L. van Riet en drs. R. Balkema, gemachtigden, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de drijfster van de inrichting, vertegenwoordigd door mr. Y.M. van Boxel, advocaat te Rotterdam.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten voeren aan dat de melding onvoldoende gegevens bevat om op te kunnen beschikken.

De Afdeling overweegt dat het doen van een melding en het voldoen van die melding aan de eisen in artikel 6 van het Besluit geen voorwaarden vormen voor de toepasselijkheid van het Besluit, en evenmin vereist zijn om gebruik te mogen maken van de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen die is neergelegd in artikel 5, eerste lid, van het Besluit. Het beroep treft derhalve in zoverre geen doel.

2.2. Appellanten betwijfelen of de inrichting valt onder het Besluit aangezien binnen de inrichting ook bewerking van producten plaatsvindt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a van het Besluit is het van toepassing op een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor het opslaan, overslaan en transporteren over de weg van goederen of producten. In artikel 3 van het Besluit is bepaald in welke gevallen het Besluit niet van toepassing is op een inrichting als bedoeld in artikel 2.

Blijkens de melding is er in de onderhavige zaak sprake van een inrichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a van het Besluit aangezien de inrichting in hoofdzaak is bestemd voor het opslaan, overslaan en transporteren over de weg van groenten en fruit. Het bewerken van producten, zoals dat in de inrichting plaatsvindt, wordt niet als uitzonderingssituatie aangemerkt in artikel 3 van het Besluit. Voorts is niet gebleken van een van de wel in dit artikel genoemde gevallen.

Gelet hierop heeft verweerder het Besluit terecht van toepassing geacht.

2.3. Volgens appellanten is verweerder onvoldoende ingegaan op de door hen ingebrachte bedenkingen.

De Afdeling stelt vast dat verweerder op alle bedenkingen van appellanten is ingegaan, zodat artikel 3:27 van de Algemene wet bestuursrecht niet is geschonden. De overwegingen van verweerder – wat daarvan verder ook zij – dienen ter motivering van het bestreden besluit en kunnen van belang zijn voor de door de Afdeling te verrichten rechtmatigheidstoets van het bestreden besluit, maar komen als zodanig niet voor vernietiging in aanmerking.

2.4. Appellanten betogen dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte in het bestemmingsplan opgenomen uitgangspunten met betrekking tot milieuzonering heeft verlaten, nu voor de categorie bedrijven waartoe de inrichting behoort, gebruik wordt gemaakt van de in het bestemmingsplan opgenomen vrijstellingsmogelijkheid.

De Afdeling overweegt dat toetsing aan het bestemmingsplan geen vereiste is voor een rechtmatig gebruik van de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen in de zin van artikel 5, eerste lid, van het Besluit. Deze beroepsgrond kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.5. Appellanten kunnen zich niet verenigen met de wijze waarop in het “Geluidsbeheerplan Bedrijventerrein Veren Ambacht; (Gemeentelijke geluidsnota Industrielawaai van de gemeente Ridderkerk)” (hierna: het GBP) en het “Akoestisch inrichtingsplan bedrijventerrein Veren Ambacht te Ridderkerk” (hierna: het akoestisch inrichtingsplan) uitwerking wordt gegeven aan het stand still-beginsel.

Appellanten betogen voorts dat verweerder ten aanzien van geluidhinder strengere nadere eisen had moeten stellen. Daartoe voeren zij aan dat de geluidbudgetten die zijn opgenomen in het GBP en bijbehorend akoestisch inrichtingsplan ten onrechte worden overschreden. Appellanten zijn van mening dat onvoldoende is onderzocht of er alternatieve maatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelasting te beperken.

2.5.1. Verweerder heeft op basis van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van 21 oktober 1998 (hierna: de Handreiking) het GBP en het daarbij behorende akoestisch inrichtingsplan opgesteld. Verweerder heeft bij het stellen van de onderhavige nadere eisen dit gemeentelijk geluidbeleid gehanteerd. De Afdeling heeft bij uitspraak van 28 mei 2003, no. 200100090/2, geoordeeld dat hantering van voormeld geluidbeleid niet in strijd is met het recht, in welk oordeel tevens het stand still-beginsel is betrokken.

Het GBP stelt het in acht nemen van de cumulatieve beschermingswaarden voorop. De inrichting is gelegen op het bedrijventerrein “Veren Ambacht”. De gecumuleerde geluidbelasting vanwege dit bedrijventerrein op de gevels van woningen is vastgesteld op ten hoogste 52 dB(A) dan wel op 54 dB(A). Om de grenswaarden te kunnen naleven is een geluidverkavelingsplan opgesteld waarin voor iedere kavel een geluidbudget is vastgesteld. Het GBP voorziet in de mogelijkheid om van het akoestisch inrichtingsplan af te wijken onder de voorwaarde dat de grenswaarden niet worden overschreden. De emissie- en immissiebudgetten die in het akoestisch inrichtingsplan zijn genoemd moeten in dit licht worden beschouwd; zij staan ten dienste van de cumulatieve beschermingswaarden.

De opgelegde geluidgrenswaarden in nadere eis nr.2 (45/41/35 dB(A)) zijn afgestemd op de geluidbelasting vanwege de inrichting, zoals berekend in het akoestisch rapport van 13 februari 2002 “Zwaardfruit vestiging Veren Ambacht te Ridderkerk, Prognose geluidemissie februari 2002” van Lichtveld Buis & Partners B.V., welk rapport behoort bij de melding. De Afdeling ziet, mede gelet op het deskundigenbericht, geen grond om aan de deugdelijkheid van dit akoestisch onderzoek en de daarin gehanteerde bronvermogens te twijfelen. Ter plaatse van de meest maatgevende woningen, zo concludeert de Afdeling uit het deskundigenbericht, veroorzaakt deze geluidbelasting gedurende de dag- en avondperiode een overschrijding van het geluidbudget uit het GBP en het daarbij behorend inrichtingsplan met 1 dB(A). De bijdrage van de inrichting aan de gecumuleerde geluidbelasting vanwege het bedrijventerrein is, mede gelet op het gestelde in het deskundigenbericht, zeer gering en beïnvloedt deze niet merkbaar. Gelet hierop en op het verhandelde ter zitting is het dan ook aannemelijk dat deze overschrijding niet leidt tot overschrijding van de cumulatieve beschermingswaarden.

Ter zitting is gebleken dat de inrichting zodanig is ingericht dat het gedeelte waar de grootste geluidbelasting vandaan komt van de omwonenden af is gelegen. Voorts is er een geluidsscherm geplaatst. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ter voorkoming van onaanvaardbare geluidhinder na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen beperken tot de door hem gestelde nadere eisen dan wel onderzoek had moeten doen naar verdergaande geluidreducerende maatregelen.

2.6. Appellanten vrezen geluidhinder door aan- en afrijdend verkeer. Zij menen dat verweerder nadere eisen had moeten stellen om deze hinder tegen te gaan.

2.6.1. In artikel 5, eerste lid, onder b, van het Besluit, voor zover hier van belang, is bepaald dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen met betrekking tot de gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting en de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken waarop voorschrift 1.8.1 van de bijlage betrekking heeft, indien dat bijzonder is aangewezen in het belang van de bescherming van het milieu.

2.6.2. In het bij de melding overgelegde akoestisch rapport is de geluidbelasting afkomstig van aan- en afrijdend verkeer afgezet tegen de in de circulaire van de minister van VROM van 29 februari 1996 inzake “Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting” (hierna: de schrikkelcirculaire) opgenomen voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). In het rapport is gesteld dat bij het aantal gemelde verkeersbewegingen (te weten 160, 30 en 16 voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode) ter plaatse van de woningen in de directe omgeving van de inrichting wordt voldaan aan die voorkeursgrenswaarde.

Gesteld noch gebleken is dat het akoestisch rapport op dit punt onjuist zou zijn. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat nadere eisen met betrekking tot geluidhinder door aan- en afrijdend verkeer achterwege konden worden gelaten.

2.7. Voorzover appellanten betogen dat ten aanzien van parkeerhinder, verkeersoverlast, lichthinder, stank en luchtverontreiniging eveneens nadere eisen zouden moeten worden gesteld, betreft het gronden die niet zijn gericht tegen de bij het bestreden besluit opgelegde nadere eisen en derhalve niet kunnen leiden tot vernietiging van dit besluit.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.J. Overdijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Overdijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2003

320-441.