Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN7292

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2003
Datum publicatie
05-11-2003
Zaaknummer
200304018/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2002 heeft de gemeenteraad van Coevorden, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7 juni 2002, aangevuld bij voorstel van 27 september 2002, het bestemmingsplan “Noord-Sleen, partiële herziening ten behoeve van een houtopslagbedrijf aan het Hegenzand” vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304018/1.

Datum uitspraak: 5 november 2003.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], en anderen,

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2002 heeft de gemeenteraad van Coevorden, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7 juni 2002, aangevuld bij voorstel van 27 september 2002, het bestemmingsplan “Noord-Sleen, partiële herziening ten behoeve van een houtopslagbedrijf aan het Hegenzand” vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 6 mei 2003, kenmerk 6.1/2002009785, beslist omtrent de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 20 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 23 juni 2003, en appellanten sub 2 bij brief van 23 juni 2002 (lees: 23 juni 2003), bij de Raad van State ingekomen op 26 juni 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 augustus 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2003, waar appellante sub 1, in persoon, appellanten sub 2, in de persoon van [appellant], en verweerder, vertegenwoordigd door E. Saathof, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Coevorden, vertegenwoordigd door R.J. Wijnholds, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Met het plan wordt voorzien in een bestemmingsregeling voor een bestaand houtopslagbedrijf aan de [loatie] te [plaats].

2.3. [appellanten] en anderen stellen in beroep dat verweerder het plandeel met de bestemming “Houtopslagbedrijf” ten onrechte heeft goedgekeurd. Zij betogen dat de hiermee mogelijk gemaakte bedrijfsactiviteit niet in de omgeving past. Volgens hen leidt dit tot aantasting van het woonklimaat, terwijl voorts de verkeersveiligheid in geding komt. Volgens [appellant] leidt het plan tevens tot aantasting van cultuurhistorische waarden.

Voorts vrezen [appellanten] en anderen voor aantasting van landschappelijke waarden. In dit verband betogen zij dat verweerder onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het plangebied ligt in, dan wel nabij een gebied dat in het Provinciaal Omgevingsplan Drenthe (hierna: POP) is aangewezen als zone III van het landelijk gebied.

Daarnaast betogen zij dat het gemeentebestuur geen consequente planologische visie heeft voor de in geding zijnde gronden. Zij wijzen erop dat inmiddels een bestemmingsplan in voorbereiding is dat voorziet in een woonbestemming binnen het plangebied.

2.4. Verweerder heeft het plan grotendeels goedgekeurd en acht het, voorzover goedgekeurd, niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Hij stelt zich in dit verband op het standpunt dat het plan voorziet in legalisering van bestaand gebruik, dat gunstiger kan worden geacht voor het woonklimaat ter plaatse van omliggende woningen dan het ingevolge het vorige plan toegestane gebruik. Strijd met het POP doet zich niet voor aangezien het plangebied binnen de bebouwingscontour van Noord-Sleen ligt, aldus verweerder. Voor aantasting van landschappelijke waarden in het nabij gelegen gebied behoeft naar zijn mening niet te worden gevreesd.

2.5. De Afdeling stelt vast dat het plangebied ligt binnen een gebied dat op functiekaart 1 van het POP met een contourlijn is begrensd als bebouwd gebied van de kern Noord-Sleen. Nabij het plangebied, aan de overzijde van de [locatie], is een landbouwmechanisatie- en autobedrijf gevestigd. Aan de zuidzijde van het plangebied grenst een gebied dat in het POP is aangeduid als zone III van het landelijk gebied.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting komen de in het plan opgenomen bouwmogelijkheden grotendeels overeen met hetgeen ingevolge het vorige bestemmingsplan was toegelaten. De aan de [locatie] liggende zijde van het bouwvlak sluit aan bij de voorgevelrooilijn van de naastgelegen woningen. Het bouwvlak van de bestemming “Houtopslagbedrijf” ligt op een afstand van minimaal 30 meter tot omliggende woonbebouwing. In vergelijking met het vorige bestemmingsplan ligt het bouwvlak daarmee op een grotere afstand van woonbebouwing.

Met de onthouding van goedkeuring door verweerder aan artikel 8 van de planvoorschriften is verzekerd dat opslag van hout buiten gebouwen niet is toegestaan. Andere bedrijfsactiviteiten dan opslag van hout zijn ingevolge de planvoorschriften niet toegestaan. De toegekende maatbestemming voorziet in een beperking van de gebruiksmogelijkheden ten opzichte van de mogelijkheden die de in het vorige plan opgenomen agrarische bedrijfsbestemming bood.

Gelet op het voorgaande is er geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan past binnen de kern Noord-Sleen en dat het niet leidt tot verdergaande aantasting van het woonklimaat en van cultuurhistorische waarden dan thans mogelijk is. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van het toegelaten gebruik de verkeersintensiteit zodanig zal toenemen dat voor vermindering van de verkeersveiligheid moet worden gevreesd.

2.5.1. De Afdeling is verder van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het POP niet aan goedkeuring van het bestreden plandeel in de weg staat. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat aan het zuidelijke gedeelte van het plangebied, dat grenst aan het gebied dat is aangewezen als zone III van het landelijk gebied, de bestemming “Natuurgebied” is toegekend. Ingevolge artikel 4, eerste lid, zijn deze gronden bestemd voor opbouw, behoud en herstel van aan de gronden eigen landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden. Gelet op deze bestemming en op de afstand van het bouwvlak van de bestemming “Houtopslagbedrijf” tot het gebied dat is aangewezen als zone III van het landelijk gebied, acht de Afdeling aantasting van landschappelijke waarden niet aannemelijk gemaakt.

2.5.2. Verweerder behoefde ten slotte geen doorslaggevend gewicht toe te kennen aan de omstandigheid dat de gemeenteraad een ontwerp-bestemmingsplan heeft vastgesteld dat voor de in geding zijnde gronden voorziet in de mogelijkheid twee woningen te bouwen. Aangezien in het hier aan de orde zijnde plan een bestemmingsregeling voor bestaand gebruik is opgenomen, stond ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de uitvoerbaarheid van het plan buiten twijfel. Daarentegen stond de voorgenomen verplaatsing van dat gebruik niet vast.

2.5.3. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het door [appellanten] en anderen bestreden onderdeel van het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen zij hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het door [appellanten] en anderen bestreden onderdeel van het plan. De beroepen van [appellanten] en anderen zijn ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Klein

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2003.

176-275.