Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN7269

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2003
Datum publicatie
05-11-2003
Zaaknummer
200302908/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 januari 2002, nummer 5AW9130, heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden (hierna: het bureau) een verzoek om toevoeging van [verzoeker] in de zin van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302908/1.

Datum uitspraak: 5 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 25 maart 2003 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2002, nummer 5AW9130, heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden (hierna: het bureau) een verzoek om toevoeging van [verzoeker] in de zin van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.

Bij besluit van 24 mei 2002 heeft appellant het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 maart 2003, verzonden op 26 maart 2003, heeft de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op beroep vernietigd, appellant veroordeeld in de proceskosten van [verzoeker] en bepaald dat appellant het betaalde griffierecht aan [verzoeker] vergoedt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 6 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 juni 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 4 augustus 2003 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 oktober 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. J. Hamer, werkzaam voor appellant, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wrb kan het bureau de toevoeging weigeren indien het verzoek betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de verzoeker aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging.

Ingevolge artikel 32 van de Wrb geldt de toevoeging uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvan zij is afgegeven en, in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.

2.1.1. Uit de artikelen 28 en 32 van de Wrb, in onderlinge samenhang gelezen, volgt dat indien sprake is van één rechtsbelang, met één toevoeging kan worden volstaan, tenzij het gaat om verschillende procedures, dan wel één procedure zich afspeelt in meer dan één instantie, als bedoeld in artikel 32 van de Wrb.

2.2. Uit de stukken komt het volgende naar voren.

Bij brief van de korpschef van de regiopolitie Groningen van 5 februari 2001 is aan de gemachtigde van [verzoeker] meegedeeld dat [verzoekers] verblijfsvergunning op 13 januari 1997 van rechtswege is vervallen wegens vertrek met onbekende bestemming, tegen welke brief bij schrijven van 13 februari 2001 namens [verzoeker] een bezwaarschrift is ingediend. Bij besluit van 24 juli 2001, nummer 5AU6761, heeft het bureau een definitieve toevoeging voor deze procedure afgegeven.

Op 30 oktober 2001 is namens [verzoeker] beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift van 13 februari 2001, voor welke procedure bij besluit van het bureau van 16 november 2001, nummer 5AW5777, een definitieve toevoeging is afgegeven.

Bij besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 20 november 2001 is het bezwaarschrift van [verzoeker] van 13 februari 2001 niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Op 23 februari 2001 heeft [verzoeker] een (nieuwe) aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend. Bij besluit van 23 april 2001 is deze aanvraag afgewezen. Tegen dit besluit is namens [verzoeker] op 23 april 2001 bezwaar aangetekend. Bij een tweede beschikking van 20 november 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie het besluit van 23 april 2001 ingetrokken en gesteld dat een nieuwe beslissing op de aanvraag wordt genomen.

Gelijktijdig is bij een derde beschikking van de Staatssecretaris van Justitie van 20 november 2001 de aanvraag van 23 februari 2001 van [verzoeker] tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd afgewezen. Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld. Bij besluit van 30 januari 2002, nummer 5AW9868, heeft het bureau het op deze procedure betrekking hebbende verzoek om toevoeging afgewezen.

2.2.1. Appellant heeft bij zijn besluit van 24 mei 2002 in navolging van het bureau zijn weigering een toevoeging onder nummer 5AW9130 te verstrekken gebaseerd op de omstandigheid dat de werkzaamheden vallen onder het bereik van de eerder verstrekte toevoeging van 16 november 2001, nummer 5AW5777.

2.2.2. De rechtbank is er in haar uitspraak van uitgegaan dat de aanvraag om toevoeging, nummer 5AW9130, betrekking heeft op het beroep van [verzoeker] van 10 december 2001 tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 20 november 2001, waarbij het besluit van 23 april 2001 werd ingetrokken en gesteld dat een nieuwe beslissing op de aanvraag wordt genomen. De rechtbank heeft hieruit afgeleid dat hoewel sprake is van hetzelfde rechtsbelang, namelijk het verkrijgen van een verblijfsvergunning, de mededeling omtrent het van rechtswege vervallen van de verblijfsvergunning, waarop de toevoeging nummer 5AW5777 ziet, een andere procedure betreft dan de beslissing op de (nieuwe) aanvraag voor een verblijfsvergunning.

2.3. Appellant voert in hoger beroep aan dat de rechtbank bij haar uitspraak heeft miskend dat de aanvraag van [verzoeker], nummer 5AW9130, geen betrekking had op het beroep tegen de beschikking van de Staatssecretaris van Justitie van 20 november 2001, waarbij het besluit van de Vreemdelingendienst van 23 april 2001 is ingetrokken en waarbij is gesteld dat een nieuwe beslissing op de aanvraag wordt genomen. Volgens appellant ziet de aanvraag om toevoeging met nummer 5AW9130 op het beroep tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 20 november 2001, waarbij het bezwaarschrift van [verzoeker] van 13 februari 2001 gericht tegen de brief van de Vreemdelingendienst van 5 februari 2001 niet-ontvankelijk is verklaard.

2.4. Dit betoog slaagt. Hoewel in de op 10 december 2001 verzochte toevoegingaanvraag, nummer 5AW9130, wordt verwezen naar het besluit van 20 november 2001, waarbij het besluit van de Vreemdelingendienst van 23 april 2001 werd ingetrokken en een nieuwe beslissing op de aanvraag in het vooruitzicht werd gesteld, blijkt reeds uit de reactie van de gemachtigde van [verzoeker] op het verzoek om nadere informatie van 13 december 2001 dat sprake is van een vergissing. Uit de gronden van het beroep kan reeds worden afgeleid dat de toevoeging verzocht was voor het beroep ter zake van de beslissing van de Staatssecretaris van Justitie van 20 november 2001, waarbij een bezwaar niet-ontvankelijk was verklaard.

Ditzelfde blijkt voorts uit de correspondentie tussen appellant en de gemachtigde van [verzoeker] naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank. In de brief van de gemachtigde van [verzoeker] van 5 mei 2003 stelt deze onomwonden dat bij de aanvraag blijkbaar per abuis de verkeerde beslissing van 20 november 2001 is meegezonden, dat de aanvraag betrekking had op de beslissing van de Staatssecretaris van Justitie van 20 november 2001, waarbij het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard, en dat tegen de beslissing van de Staatssecretaris van Justitie van 20 november 2001, waarbij is besloten dat de aanvraag alsnog in behandeling wordt genomen, geen beroep is aangetekend.

2.5. Uit het voorgaande volgt dat appellant, onder verwijzing naar artikel 6:20 van de Awb, terecht heeft aangenomen dat de rechtsbijstand ter zake onder het bereik van de eerder afgegeven toevoeging 5AW5777 viel, nu het gaat om dezelfde zaak, te weten beroep tegen de beslissing van de Staatssecretaris van Justitie op het bezwaar van [verzoeker] van 13 februari 2001, terwijl geen sprake is van een afzonderlijke procedure die behandeld wordt voor een andere instantie.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.7. Van de zijde van appellant is verzocht [verzoeker] te veroordelen in de kosten die appellant heeft moeten maken voor de behandeling van het hoger beroep. Dit omdat de gemachtigde van [verzoeker] ter onderbouwing van zijn aanvraag een verkeerd besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 20 november 2001 heeft overgelegd. Toen na de uitspraak van de rechtbank appellant de gemachtigde van [verzoeker] hierop wees en dit door hem ook werd toegegeven, heeft deze echter niets gedaan om het doorzetten van dit hoger beroep door appellant te voorkomen. De Afdeling ziet voor de door appellant verlangde veroordeling geen aanleiding. Anders dan appellant stelt leidt zij uit de vernietiging van zijn besluit van 24 mei 2002 door de rechtbank niet af dat evident was dat sprake was van onjuiste gegevensverstrekking van de zijde van [verzoeker]. Bovendien had appellant de rechtbank met meer nadruk op deze onjuistheid moeten en kunnen wijzen. Van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, tweede volzin, van de Algemene wet bestuursrecht door appellant kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden gesproken.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ook overigens geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 25 maart 2003, 02/632 WRB;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Sparreboom

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2003

195-209.