Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN7267

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2003
Datum publicatie
05-11-2003
Zaaknummer
200302767/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 14 december 2001 en 21 januari 2002 heeft de stichting "Stichting Welzijns- en Gezondheidszorg Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening" (hierna: AJL) erkend dat appellante als pleegouder wordt aangemerkt in die zin dat zij de opvoeding en verzorging van [pleegkind A], respectievelijk [pleegkind B] op zich heeft genomen en dat op grond daarvan aan haar zal worden uitbetaald zonder dat zij als pleegouder kan worden gekwalificeerd conform de kwaliteitsregels van de Wet op de jeugdhulpverlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302767/1.

Datum uitspraak: 5 november 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Roermond van 2 april 2003 in het geding tussen:

appellante

en

de stichting "Stichting Welzijns- en Gezondheidszorg Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening".

1. Procesverloop

Bij besluiten van 14 december 2001 en 21 januari 2002 heeft de stichting "Stichting Welzijns- en Gezondheidszorg Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening" (hierna: AJL) erkend dat appellante als pleegouder wordt aangemerkt in die zin dat zij de opvoeding en verzorging van [pleegkind A], respectievelijk [pleegkind B] op zich heeft genomen en dat op grond daarvan aan haar zal worden uitbetaald zonder dat zij als pleegouder kan worden gekwalificeerd conform de kwaliteitsregels van de Wet op de jeugdhulpverlening.

Bij twee besluiten van 17 september 2002 heeft AJL de daartegen gerichte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 2 april 2003, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 27 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 juni 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 30 juli 2003 heeft AJL van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan AJL toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 oktober 2003, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. B.R.M. de Bruyn, advocaat te Maastricht, en AJL, vertegenwoordigd door P.R. van den Heuvel, vestigingsmanager van de Gezinsvoogdij-instelling van AJL te Leusden, en mr. W.H. van Wijk, advocaat te Leusden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [pleegkind B] en [pleegkind A] zijn onder toezicht gesteld van de AJL als gezinsvoogdij-instelling. Zij zijn op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing geplaatst in het door appellante geleide "[naam]" te [plaats]. [pleegkind B] verbleef daar van 26 mei tot 7 september 2000 en [pleegkind A] van 1 januari 2001 tot 1 september 2001.

2.2. In geding is de uitspraak van de rechtbank waarbij ongegrond is verklaard het beroep van appellante tegen de niet-ontvankelijkverklaring door AJL bij besluiten van 17 september 2002.

2.2.1. Appellante stelt dat de rechtbank eraan is voorbijgegaan dat zij financieel belang heeft bij de beantwoording van de vraag of zij als pleegouder dient te worden aangemerkt. Voorts wijst appellante er op dat wanneer duidelijk is dat zij als pleegouder dient te worden aangemerkt, daarover in toekomstige gevallen niet opnieuw een discussie tussen partijen hoeft te ontstaan. Tot slot wijst appellante er nog op dat, indien zij als pleegouder wordt aangemerkt, zij ook de bij de buitengewoon intensieve begeleiding van de bij haar geplaatste kinderen behorende status zou krijgen, inhoudende dat appellante ook wordt betrokken bij de beslissingen omtrent verzorging en opvoeding van de kinderen.

2.2.2. Niet in geschil is dat [pleegkind B] en [pleegkind A] ten tijde van het nemen van de besluiten op bezwaar niet meer verbleven bij appellante.

2.2.3. Evenmin in geschil is dat de vergoeding van het verblijf van [pleegkind B] en [pleegkind A] op basis van kamerverhuur bij appellante hoger was dan de vergoeding op basis van de status van pleegkind. Gelet voorts op het door de AJL bij de rechtbank gevoerde verweer tegen de daar door appellante ingenomen, verder noch mondeling noch ter zitting onderbouwde stelling dat zij extra kosten heeft moeten maken die zij had kunnen declareren bij een andere verblijfsstatus, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het gestelde financiƫle belang door appellante niet is aangetoond.

2.2.4. Ook de door appellante gewenste duidelijkheid omtrent de status van verblijf voor de toekomst levert geen procesbelang op, omdat de AJL na de plaatsing van [pleegkind A] en [pleegkind B] geen minderjarigen meer in "[naam]" heeft geplaatst en omdat, zoals ter zitting onweersproken namens de AJL is gesteld de verhouding tussen de AJL en appellante van dien aard is dat de AJL geen kinderen, hetzij als kamerbewoner, hetzij als pleegkind, bij appellante meer zal laten verblijven.

2.2.5. Ook het door appellante gestelde gevoel van verantwoordelijkheid voor het welzijn van [pleegkind B] en [pleegkind A], welke volgens haar het best wordt gediend met de status van pleegouder, levert - mede gelet op het hiervoor overwogene met betrekking tot de relatie tussen partijen - evenmin procesbelang op.

2.3. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de AJL terecht heeft aangenomen dat appellante geen belang had bij een inhoudelijke beslissing op bezwaar en dat de AJL dat bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

2.4. Ter zitting is van de zijde van de AJL verzocht appellante te veroordelen in de kosten die de AJL heeft moeten maken voor de behandeling van het hoger beroep. De Afdeling acht geen termen aanwezig voor zodanige veroordeling. Toewijzing van dit verzoek van de AJL zou feitelijk neerkomen op het uitspreken van een veroordeling van appellante voor het instellen van hoger beroep. Nu appellante in deze procedure verzoekt om een rechterlijk oordeel in hoogste instantie met betrekking tot de vraag of procesbelang aanwezig is, dit niet aanstonds evident is, terwijl evenmin gezegd kan worden dat deze procedure uitsluitend haar oorzaak vindt in het gedrag van appellante, kan van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, tweede volzin, van de Algemene wet bestuursrecht niet worden gesproken.

2.4.1. Ook overigens bestaat voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Sparreboom

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2003

195-209.