Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN7213

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2003
Datum publicatie
04-11-2003
Zaaknummer
200305540/4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 augustus 2003, kenmerk 2003WEM003633i, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de gemeente Utrecht Grond- en Reststoffenbank een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een gronddepot met een overslagcapaciteit van 20.000 ton per jaar, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […] (gedeeltelijk). Dit besluit is op 14 augustus 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305540/4.

Datum uitspraak: 30 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2003, kenmerk 2003WEM003633i, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de gemeente Utrecht Grond- en Reststoffenbank een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een gronddepot met een overslagcapaciteit van 20.000 ton per jaar, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […] (gedeeltelijk). Dit besluit is op 14 augustus 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 19 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 23 september 2003, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 oktober 2003, waar verzoekers, waarvan [een der verzoekers], bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. I.V.M Damhuis, mr. J. Bakker en ing. P. Jans, allen ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door ing. J. van Grunsven, gemachtigde, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Verzoekers vrezen geluidhinder vanwege de onderhavige inrichting. Zij betogen in dit verband onder meer dat voorschrift 2.2.1.3 onvoldoende duidelijk is opgesteld, omdat daaruit niet blijkt of het zeven van grond niet meer dan twaalf dagen, weken of maanden per kalenderjaar mag plaatsvinden. Verder voeren verzoekers aan dat onjuiste meetpunten zijn gehanteerd bij de berekening van de in een representatieve bedrijfssituatie te verwachten geluidbelasting vanwege de inrichting. Volgens verzoekers had op de kortste afstand van het woonwagencentrum moeten worden gemeten. Verzoekers betogen ten slotte dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid onjuist is bepaald, omdat ten onrechte is aangesloten bij het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau dat wordt veroorzaakt door het verkeer op de Rijksweg A2.

2.2.1. De Voorzitter is van oordeel dat uit de stukken, waaronder de aanvraag om vergunning die blijkens het bestreden besluit daarvan deel uitmaakt, voldoende duidelijk blijkt dat met de zinsnede “twaalf maal per jaar” twaalf maal in de dagperiode wordt bedoeld.

Wat betreft het betoog inzake de representatieve bedrijfssituatie overweegt de Voorzitter als volgt. Verweerder heeft bij de beoordeling van de geluidhinder vanwege de inrichting de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van oktober 1998 (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt genomen. Ingevolge de Handreiking dienen geluidvoorschriften (mede) te zijn afgestemd op de geluidemissie die de inrichting in een representatieve bedrijfssituatie veroorzaakt. Bij de beoordeling van de geluidemissie van de inrichting ter hoogte van het woonwagencentrum heeft verweerder zich gebaseerd op een akoestisch rapport van 7 december 2000 dat is opgesteld door Adviesbureau [naam adviesbureau] Blijkens dit rapport bevinden de geluidbronnen zich in een representatieve bedrijfssituatie, anders dan verzoekers betogen, ook op andere locaties op het terrein van de inrichting dan direct aangrenzend aan het woonwagencentrum. Het is de Voorzitter niet gebleken dat de in het akoestisch rapport gehanteerde bedrijfssituatie niet representatief is te achten. Verweerder heeft zich bij de beoordeling van de geluidhinder vanwege de inrichting in een representatieve bedrijfssituatie derhalve op goede gronden niet beperkt tot de aan het woonwagencentrum aangrenzende puntbronnen. Het betoog van verzoekers kan derhalve niet slagen.

Wat betreft het betoog inzake het referentieniveau overweegt de Voorzitter dat, gelet op de aansluiting die verweerder heeft gezocht bij de Handreiking, en gelet op de stukken, hem niet is gebleken dat het referentieniveau op onjuiste wijze is bepaald. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter in zoverre geen aanleiding het verzoek toe te wijzen.

2.3. Verzoekers vrezen stofhinder en geurhinder vanwege het transport, het storten, het platrijden, het verschuiven en het verwerken van de grond. De aan de vergunning verbonden voorschriften zijn volgens verzoekers niet toereikend om stofhinder en geurhinder te voorkomen. Verzoekers betogen verder dat stofhinder en geurhinder van verontreinigde en ernstig verontreinigde grond en het accepteren van grond met een onbekende samenstelling ontoelaatbaar is. Verzoekers vrezen ook geurhinder ten gevolge van draaiende dieselmotoren van de vrachtwagens die de grond transporteren. Zij betogen in dit verband dat het voorschrift dat bepaalt dat verbrandingsmotoren van transportvoertuigen zodanig moeten zijn afgesteld dat de uitlaatgassen nagenoeg roet- en rookloos zijn, bij de huidige stand der techniek onmogelijk kan worden nageleefd.

2.3.1. Vergunning is verleend voor de opslag van schone grond, MVR-grond, categorie 1-grond, licht verontreinigde grond, categorie 2-grond, grond van onbekende samenstelling, verontreinigde grond en ernstig verontreinigde grond. De Voorzitter leidt uit de stukken af dat verweerder wat betreft het voorschrijven van maatregelen ter voorkoming dan wel beperking van stofhinder heeft beoogd aansluiting te zoeken bij de Nederlandse Emissierichtlijn Lucht. Indien de in de voorschriften 2.3.1.1 of 2.3.1.2 beschreven omstandigheden zich voordoen, is besproeiing van de stuifgevoelige afvalstoffen en de wegen voorgeschreven. Verder is voorgeschreven dat de werkwegen zo vaak als de omstandigheden daartoe aanleiding geven, maar in ieder geval éénmaal per week, moeten worden geveegd en is op het terrein een maximale snelheid voorgeschreven van vijftien kilometer per uur. De Voorzitter ziet, gelet hierop, wat betreft de opslag van schone grond, MVR-grond, categorie 1-grond, en licht verontreinigde grond, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorgeschreven maatregelen toereikend zijn ter voorkoming dan wel beperking van stofhinder. Wat betreft de gevreesde geurhinder vanwege de opslag van schone grond, MVR-grond, categorie 1-grond, en licht-verontreinigde grond overweegt de Voorzitter dat hem niet aannemelijk is geworden dat in zoverre geuremissie zal plaatsvinden. De Voorzitter ziet hierin dan ook geen aanleiding het verzoek toe te wijzen.

2.3.2. Wat betreft de vrees voor stofhinder en geurhinder vanwege de opslag van categorie 2-grond, grond van onbekende samenstelling, en verontreinigde en ernstig verontreinigde grond overweegt de Voorzitter het volgende. Uit de aanvraag, die blijkens het bestreden besluit daarvan deel uitmaakt, blijkt dat de gronddepots waar deze partijen grond worden opgeslagen, ter voorkoming van stofhinder en geurhinder zullen worden voorzien van een bovenafdekking van folie. Uit de stukken blijkt echter onvoldoende duidelijk dat deze partijen grond direct na het storten met een deugdelijk folie moeten worden afgedekt. Ook betwijfelt de Voorzitter of, gelet op de aard en samenstelling van de te storten grond, verweerder de voorgeschreven maatregelen en voorzieningen in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten om stofhinder en geurhinder vanwege het transport en het storten daarvan te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken. De Voorzitter ziet derhalve in zoverre aanleiding het verzoek toe te wijzen.

2.3.3. De Voorzitter overweegt verder dat het op grond van de tekening behorende bij de aanvraag feitelijk onmogelijk is om de aan- en afvoerroute ter ontsluiting van de inrichting anders te zien dan over de zogeheten Bouwweg Wetering. De door verzoekers gestelde stofhinder vanwege het verkeer over de Bouwweg Wetering kan in het kader van dit geschil niet aan de orde komen.

2.3.4. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat met het voorschrift dat bepaalt dat verbrandingsmotoren van transportvoertuigen zodanig moeten zijn afgesteld dat de uitlaatgassen nagenoeg roet- en rookloos zijn, wordt bedoeld dat transportvoertuigen moeten voldoen aan de gangbare eisen die worden gesteld aan de uitlaatgassen van alle motorvoertuigen die zich op de openbare weg bevinden. In de voorschriften is voorts bepaald dat geen geurhinder ter plaatse van woningen van derden mag worden veroorzaakt. Verder is bepaald dat technische en organisatorische voorzieningen moeten worden getroffen indien als gevolg van activiteiten binnen de inrichting toch geurhinder optreedt.

De Voorzitter is van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldoende wordt gewaarborgd dat geurhinder ten gevolge van draaiende dieselmotoren wordt beperkt. Hij ziet gelet hierop aanleiding het verzoek in zoverre toe te wijzen.

2.4. Verzoekers betogen dat met de bijzondere gevoeligheid van bewoners van woonwagens rekening moet worden gehouden.

Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat bij de beoordeling van een aanvraag om vergunningverlening in het kader van de Wet milieubeheer met bijzondere gevoeligheid in de door verzoekers bedoelde zin geen rekening hoeft te worden gehouden.

2.5. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding tot het treffen van de hierna te melden voorlopige voorzieningen. De Voorzitter zal in het kader van de behandeling van de hoofdzaak aan de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening verzoeken om een deskundigenbericht uit te brengen. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting ziet de Voorzitter aanleiding te trachten de behandeling van de hoofdzaak, voorzover mogelijk, te bespoedigen.

2.6. Verweerder dient op de hierna te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 5 augustus 2003, kenmerk 2003WEM003633i, voorzover het de opslag van categorie 2-grond, grond van onbekende samenstelling, en verontreinigde en ernstig verontreinigde grond betreft;

II. treft de voorlopige voorziening dat motoren van vrachtwagens afgezet dienen te worden indien het draaien daarvan niet nodig is voor het verrichten van de werkzaamheden;

III. wijst het verzoek voor het overige af;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht in de door verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 677,17, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de provincie Utrecht te worden betaald aan verzoekers;

V. gelast dat de provincie Utrecht aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Plambeck

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2003

159-415.