Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AN7203

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2003
Datum publicatie
04-11-2003
Zaaknummer
200304525/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2003, kenmerk DGM/SAS nr. BGGO 00/08, heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Intervet International B.V.” een vergunning krachtens artikel 23 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen (hierna: het Besluit) verleend voor het doen van veldproeven met een genetisch gemodificeerd vaccin tegen pseudo-vogelpest. De proeven zullen plaatsvinden in de gemeenten Apeldoorn, Boxmeer, Cuijk, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Sint Oedenrode, Someren en Venray. Dit besluit is op 28 mei 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304525/2.

Datum uitspraak: 30 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2003, kenmerk DGM/SAS nr. BGGO 00/08, heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Intervet International B.V.” een vergunning krachtens artikel 23 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen (hierna: het Besluit) verleend voor het doen van veldproeven met een genetisch gemodificeerd vaccin tegen pseudo-vogelpest. De proeven zullen plaatsvinden in de gemeenten Apeldoorn, Boxmeer, Cuijk, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Sint Oedenrode, Someren en Venray. Dit besluit is op

28 mei 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 9 juli 2003, bij de Raad van State op dezelfde dag per fax ingekomen, beroep ingesteld.

Bij brief van 9 juli 2003, bij de Raad van State op dezelfde dag per fax ingekomen, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 september 2003, waar verzoeker, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Piras en dr. I. van der Leij, beiden ambtenaar van het ministerie, en dr. H.P.H. Hermsen, gemachtigde, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door dr. P.J.L. Sondermeijer en dr. H.J. Bos, gemachtigden, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De proeven waarvoor vergunning is verleend, bestaan uit het in ovo toedienen aan 125.000 kippenembryo’s van een stam van het kalkoenen herpesvirus (HVT) waarin een gen van het Newcastle disease-virus (NDV) is ingebracht. De proef is van belang voor de ontwikkeling van antistoffen tegen dit virus. De kuikens die uit de embryo’s voortkomen worden daarna tevens gevaccineerd met het conventionele, niet genetisch gemodificeerd vaccin tegen pseudo-vogelpest.

2.3. Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen (hierna: de Wet) kunnen, indien een redelijk vermoeden is gerezen dat door handelingen met stoffen of preparaten ongewenste effecten zullen ontstaan voor mens of milieu, bij algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld met betrekking tot het vervaardigen, in Nederland invoeren, toepassen, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen, vervoeren, uitvoeren en zich ontdoen van deze stoffen of preparaten.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a en c, van dit artikel, voorzover hier van belang, kunnen hiertoe regelen behoren, inhoudende:

a. een verbod een of meer van de in het eerste lid genoemde handelingen te verrichten met betrekking tot bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten;

c. een verbod een handeling als onder a bedoeld te verrichten zonder vergunning, verleend door verweerder.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Wet worden, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 24, tweede lid, onder c, tevens bij algemene maatregel van bestuur regelen gesteld betreffende de wijze waarop de aanvraag om een vergunning dient te geschieden en de gegevens die van de aanvrager kunnen worden verlangd.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de vergunning slechts in het belang van de bescherming van mens en milieu worden geweigerd.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan een vergunning onder beperkingen worden verleend en kunnen aan een vergunning in het belang van de bescherming van mens en milieu voorschriften worden verbonden.

2.4. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van het Besluit, een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 24 en 26 van de Wet, is het verboden zonder vergunning van verweerder genetisch gemodificeerde organismen te vervaardigen, te vervoeren, toe te passen, voorhanden te hebben, aan een ander ter beschikking te stellen of zich ervan te ontdoen.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, van het Besluit wordt bij de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 23 een risicoanalyse met betrekking tot de voorgenomen handelingen overgelegd, in ieder geval inhoudende de gegevens, bedoeld in bijlage 3 bij dit Besluit.

Bij het beslissen op een aanvraag om vergunning krachtens artikel 23 van het Besluit komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten voortvloeit.

2.5. Verzoeker vreest dat met de introductie van thans aangevraagde genetisch gemodificeerde organismen in het milieu de kans bestaat dat nieuwe ziektes ontstaan bij mens of dier. Hij voert in de eerste plaats aan dat het, anders dan verweerder stelt, niet zo is dat de kans op recombinatie tussen de genetisch gemodificeerde genconstructen en bestaande ziekteverwekkers nihil is. In dit verband stelt hij dat het feit dat genetisch gemodificeerde organismen nieuwe organismen zijn de kans op vorming van andere nieuwe organismen vergroot. Voorts kunnen genetisch gemodificeerde organismen een verhoogde mate van interactie met andere micro-organismen vertonen, aangezien het gebruikte genconstruct in het genoom minder stabiel kan zijn dan in een op natuurlijke wijze ontstaan genoom. Verder voert hij aan dat het besluit met onvoldoende zorgvuldigheid tot stand is gekomen en dat de risicobeoordeling had moeten worden herzien, gelet op diverse persberichten van onder meer [naam onderzoeker], waarin is gewaarschuwd voor het in het milieu brengen van genetisch gemodificeerde organismen.

2.6. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat in dit verband onder “nihil” moet worden verstaan “verwaarloosbaar klein”. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de risico’s voor mens en milieu verwaarloosbaar klein zijn, omdat de HTV-virusstam niet ziekteverwekkend is, al ruim twintig jaar in Europa wordt toegepast als dragervirus en algemeen geaccepteerd is als conventioneel vaccin. Er zijn volgens hem geen aanwijzingen gevonden dat het virus zich kan verspreiden naar zoogdieren, ook niet naar de mens. Instabiliteit van dit virus is nooit gebleken dan wel wetenschappelijk aangetoond. Verder kan naar zijn mening ook vanwege de omstandigheden waaronder de proef wordt uitgevoerd geen overdracht plaatsvinden naar andere dieren. De kuikens worden in een afgesloten stal gehouden en gedurende het verblijf van de kuikens in deze stal zijn geen andere kippen of andere dieren aanwezig, waarnaar de besmetting met het vaccinvirus zich zou kunnen uitbreiden. Voorts bestaan er geen aanwijzingen dat er onder dergelijke praktijkomstandigheden overdracht plaatsvindt als geïnfecteerde en niet-geïnfecteerde kippen zich in dezelfde ruimte naast elkaar bevinden. In dit verband heeft verweerder betoogd dat infectie met het virus uitsluitend mogelijk is door rechtstreekse injectie in de bloedbaan.

Ten aanzien van het betoog dat nieuwe virussen kunnen ontstaan door recombinatie, heeft verweerder betoogd dat, zo al recombinatie zou plaatsvinden tussen het ggo-vaccin en de HVT-virusstam, er geen nieuwe virussen kunnen ontstaan aangezien de gevormde virussen identiek zijn aan de uitgangsvirussen. De kans op recombinatie van het ggo-vaccin met andere virussen is volgens verweerder verwaarloosbaar klein. Tot slot heeft verweerder in dit verband betoogd dat de gevaccineerde kuikens niet bestemd zijn voor consumptie en dat de kuikens na afloop van een experiment worden geslacht en vernietigd en dat de stal wordt gedesinfecteerd met formaldehyde of een ander toereikend desinfecteermiddel waarmee het virus kan worden geïnactiveerd.

Ten aanzien van het betoog dat het besluit onvoldoende zorgvuldig zou zijn voorbereid, heeft verweerder betoogd dat literatuuronderzoek, waarbij ook is gezocht naar artikelen van [naam onderzoeker], niet heeft geleid tot het vinden van wetenschappelijke artikelen op grond waarvan de beoordeling van het risico op recombinatie als gevolg waarvan nieuwe organismen kunnen ontstaan, zou moeten worden herzien. Naar de huidige wetenschappelijke inzichten behoeft derhalve naar de mening van verweerder geen herbeoordeling van de risicobeoordeling plaats te vinden.

2.7. De Voorzitter ziet in de stukken noch het verhandelde ter zitting voorshands aanleiding voor het oordeel dat het besluit onvoldoende zorgvuldig zou zijn voorbereid. Voorts ziet de Voorzitter in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd, mede gelet op de door verweerder gegeven motivering, voorshands geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het risico op verspreiding van de genetisch gemodificeerde organismen verwaarloosbaar is. In het licht hiervan bestaat er naar het oordeel van de Voorzitter geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De Voorzitter zal daarom het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Heijerman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2003

255-361.