Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AM5509

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2003
Datum publicatie
29-10-2003
Zaaknummer
200301825/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de Staatssecretaris) het verzoek van appellant om geslachtsnaamswijziging van zijn minderjarige [dochter] [dochter] van [naam sub 1] in [naam sub 2] afgewezen.

Bij besluit van 19 juli 2002 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 februari 2003, verzonden op 11 februari 2003, heeft de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301825/1.

Datum uitspraak: 29 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats], [land],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 4 februari 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de Staatssecretaris) het verzoek van appellant om geslachtsnaamswijziging van zijn minderjarige [dochter] [dochter] van [naam sub 1] in [naam sub 2] afgewezen.

Bij besluit van 19 juli 2002 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 februari 2003, verzonden op 11 februari 2003, heeft de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 maart 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 april 2003 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M.J. Verheij, advocaat te Arnhem, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door L.A. Jachtenberg, ambtenaar bij het departement, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit geslachtsnaamswijziging (hierna: het Besluit) wordt de geslachtsnaam van een minderjarige van twaalf jaren of ouder gewijzigd:

a. in de geslachtsnaam van de ouder wiens naam het kind niet heeft, indien deze ouder na de ontbinding van het huwelijk of de verbreking van de buitenhuwelijkse samenleving met de andere ouder gedurende een aaneengesloten periode van tenminste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek de minderjarige heeft verzorgd en opgevoed;

b. in de geslachtsnaam van de levensgezel van de ouder, indien deze persoon anders dan als ouder de minderjarige tezamen met de ouder gedurende een aaneengesloten periode van tenminste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek heeft verzorgd en opgevoed;

c. in de geslachtsnaam van een persoon die anders dan als ouder de minderjarige tezamen met een ander als behorende tot het gezin gedurende een aaneengesloten periode van tenminste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek heeft verzorgd en opgevoed.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel is ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, het eerste lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de termijn van verzorging en opvoeding dan ten minste vijf jaren bedraagt.

2.2. [dochter] is geboren uit de relatie tussen appellant en [echtgenote]. Op 15 januari 1998 is zij erkend door appellant, maar heeft zij de geslachtsnaam van de moeder behouden, omdat ter gelegenheid van de erkenning geen gezamenlijke verklaring is afgelegd dat zij de naam van appellant zal dragen. Appellant heeft op 10 augustus 2001, eerst nadat hij met de moeder van [dochter] in het huwelijk is getreden, verzocht om wijziging van haar geslachtsnaam.

2.3. De Staatssecretaris heeft de afwijzing van het verzoek van appellant in bezwaar gehandhaafd, waarbij hij heeft overwogen - kort samengevat - dat bij het namenrecht de bepalingen van artikel 5 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) het uitgangspunt zijn, waarin de mogelijkheden voor en momenten van naamskeuze zijn opgenomen. Slechts indien de in dit artikel opgenomen mogelijkheden voor naamskeuze niet van toepassing zijn, kan met toepassing van het Besluit om een wijziging van de geslachtsnaam worden verzocht. De wetgever heeft met het vaststellen van het BW en het Besluit de mogelijkheid willen uitsluiten om alsnog naamswijziging te verzoeken voor een minderjarige indien geen gebruik gemaakt is van de mogelijkheid van naamskeuze bij gelegenheid van de erkenning, aldus de Staatssecretaris.

2.4. Appellant betoogt in hoger beroep - kort samengevat - dat de rechtbank heeft miskend dat strikte toepassing van artikel 3 van het Besluit onder de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar is en dat de Staatssecretaris deze bepaling daarom buiten toepassing had moeten laten. In dit verband noemt hij een aantal omstandigheden die hij daarbij van belang acht, te weten - onder meer - dat het verzoek om geslachtsnaamswijziging niet eerder had kunnen plaatsvinden dan nadat hij was gehuwd en er sprake was van gezinsleven met zijn dochter, dat het in het belang van zijn dochter is als het verzoek wordt toegewezen en voorts dat hij en zijn echtgenote alsmede hun kinderen feitelijk de naam [naam sub 2] dragen. Voorts betoogt hij dat de afwijzing van zijn verzoek in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat het Besluit in vergelijkbare gevallen wel de mogelijkheid biedt om bij het ontstaan van gezinsleven te kiezen voor de geslachtsnaam van een van beide opvoeders.

2.5. Dit betoog kan niet tot de door appellant gewenste uitkomst leiden. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat artikel 3 van het Besluit op situaties ziet waarin door omstandigheden het kind de naam draagt van de ouder die niet meer voorziet in zijn verzorging en opvoeding en op situaties waarin zich niet eerder de mogelijkheid van keuze voor de gewenste achternaam heeft voorgedaan. In de mogelijkheid van wijziging in de geslachtsnaam van de ouder wiens naam het kind niet heeft, indien deze ouder huwt met de andere ouder, voorziet de regelgeving niet. Appellant en zijn echtgenote hebben om hen moverende redenen niet de mogelijkheid benut om [dochter] bij de geboorte te erkennen, op grond waarvan zij destijds van rechtswege de geslachtsnaam [naam sub 2] zou hebben gekregen, noch hebben zij de mogelijkheid benut om bij de erkenning in 1998 voor de geslachtsnaam van appellant te kiezen. Dat zij nadien met elkaar in het huwelijk zijn getreden en als gezin zijn gaan samenleven neemt niet weg dat bij genoemde gelegenheden de keuze is gemaakt om [dochter] de naam van de moeder te laten dragen. In de door appellant genoemde overige omstandigheden kan evenmin grond worden gevonden om te oordelen dat de Staatssecretaris niet tot strikte toepassing van artikel 3 van het Besluit was gehouden. Overigens wijst de Afdeling erop dat [dochter] binnen de voorwaarden van de thans geldende regelgeving de mogelijkheid heeft om, zodra zij meerderjarig is, zelf een verzoek om geslachtsnaamswijziging in te dienen.

Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel treft evenmin doel, reeds omdat dit beginsel niet zo ver strekt dat het verzoek in strijd met het Besluit zou kunnen worden ingewilligd.

Het vorenstaande in aanmerking genomen is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de Staatssecretaris het verzoek van appellant terecht heeft afgewezen.

2.6. Het voorts ter zitting in hoger beroep door appellant gevoerde betoog dat strikte toepassing van artikel 3 van het Besluit strijd oplevert met bepalingen uit internationale verdragen dan wel met het uit die verdragen voortvloeiende gelijkheidsbeginsel heeft appellant op geen enkele wijze nader geconcretiseerd en onderbouwd, zodat dit reeds hierom faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. De Leeuw-van Zanten

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2003

97-391.