Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AM5497

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2003
Datum publicatie
29-10-2003
Zaaknummer
200301655/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet (hierna: het college) krachtens artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat [appellant] na 8 weken na dagtekening van dit besluit een dwangsom verbeurt van € 900,00 per week tot een maximum van € 90.000,00, indien de garage op het perceel, plaatselijk bekend als [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) niet in overeenstemming is gebracht met de daarvoor op 24 februari 2000 verleende bouwvergunning.

Bij besluit van 7 november 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de begunstigingstermijn verlengd tot 8 weken na dagtekening van de brief waarin dit besluit is vervat.

Bij uitspraak van 3 februari 2003, verzonden op 4 februari 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301655/1.

Datum uitspraak: 29 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen van 3 februari 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet (hierna: het college) krachtens artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat [appellant] na 8 weken na dagtekening van dit besluit een dwangsom verbeurt van € 900,00 per week tot een maximum van € 90.000,00, indien de garage op het perceel, plaatselijk bekend als [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) niet in overeenstemming is gebracht met de daarvoor op 24 februari 2000 verleende bouwvergunning.

Bij besluit van 7 november 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de begunstigingstermijn verlengd tot 8 weken na dagtekening van de brief waarin dit besluit is vervat.

Bij uitspraak van 3 februari 2003, verzonden op 4 februari 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 14 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 juni 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 september 2003, waar appellanten, waarvan [appellant] in persoon en bijgestaan door mr. E.K.J. Eilander, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door A.J. van Putten en G. de Vries, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 24 februari 2000 heeft het college bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning met een garage op het perceel. Daarbij is bepaald dat van tijdelijke bewoning van de schuur/garage tijdens de bouw van de woning geen sprake kan zijn. Bij besluit van 18 juli 2001 heeft het college het door appellanten gemaakte bezwaar tegen het besluit van 3 juli 2000, inhoudende een afwijzing van het verzoek om toestemming voor de bewoning van de garage gedurende de bouw van de woning, ongegrond verklaard. Bij besluit van 27 juli 2001 heeft het college onder voorwaarden ingestemd met het verzoek van appellanten tot het plaatsen van een unit/stacaravan op het perceel ten tijde van de bouw van de woning.

Niet in geschil is dat ten tijde van de beslissing op bezwaar in de garage voorzieningen waren aangebracht, zoals een douche en toilet, waarvoor geen bouwvergunning is verleend. Op 19 maart 2002 is afgewezen het verzoek van appellanten om de douche in de garage voor een periode van twee jaar te willen gedogen.

2.2. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat het bepaalde in de artikelen 138, 139 en 140 van het Bouwbesluit niet op de garage en/of het perceel van toepassing is en derhalve niet bij de beslissing op bezwaar had moeten worden betrokken. Dat het college heeft ingestemd met het verzoek van appellanten tot het plaatsen van een unit/stacaravan op het perceel ten tijde van de bouw van de woning, maakt dat niet anders.

2.3. De voorzieningenrechter heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de in de garage aangebrachte voorzieningen niet zijn aan te merken als een verandering van niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder e, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van de beslissing op bezwaar. Daarvoor was derhalve ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, een bouwvergunning vereist. Nu de voorzieningen zonder deze vergunning zijn aangebracht, heeft de voorzieningenrechter terecht vastgesteld dat het college bevoegd was daartegen handhavend op te treden.

2.4. Alleen in bijzondere gevallen kan een bestuursorgaan afzien van handhavend optreden tegen de illegale situatie.

Niet kan worden staande gehouden dat ten tijde van de beslissing op bezwaar concreet zicht bestond op legalisering dan wel beëindiging anderszins van de illegale situatie. Het college heeft gemotiveerd aangegeven dat voor de voorzieningen niet alsnog vergunning zal worden verleend, omdat die voorzieningen bewoning van het bijgebouw mogelijk maken en dat juist dient te worden tegengegaan. Verder is niet gebleken dat de illegale situatie door appellanten binnen aanvaardbare termijn zal worden beëindigd door verwijdering van de voorzieningen. Zo hebben appellanten aanvankelijk betoogd de douche te willen gebruiken tot december 2003. In hoger beroep is betoogd dat de douche en het toilet tot januari/februari 2004 zullen worden gebruikt, terwijl ter zitting tot juni 2004 nodig zou zijn in verband met vertraging van het bouwproces. De Afdeling ziet in genoemde feiten en omstandigheden een bevestiging van de juistheid voor het oordeel van het college dat ten tijde hier van belang, objectieve aanknopingspunten ontbraken om de tijdelijkheid van de illegale situatie te kunnen garanderen.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt eveneens, nu in het door appellanten genoemde geval concreet zicht werd geboden op legalisering van de illegale situatie, hetgeen in het onderhavige geval niet zo is.

De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat hier van een bijzonder geval geen sprake was.

2.5. Het betoog van appellanten dat het bedrag van de dwangsom te hoog is, faalt. Niet kan worden geoordeeld dat het vastgestelde bedrag van de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.

w.g. Ettekoven w.g. Sluiter

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2003

292.