Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AM5473

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2003
Datum publicatie
29-10-2003
Zaaknummer
200302748/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2001 heeft de raad van de gemeente Beemster (hierna: de gemeenteraad) geweigerd een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), te nemen en de door appellante gevraagde vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO, te verlenen ten behoeve van de bouw van een woning aan [locatie] te [plaats]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302748/1

Datum uitspraak: 29 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Haarlem van 14 maart 2003 in het geding tussen:

appellante

en

de raad van de gemeente Beemster.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2001 heeft de raad van de gemeente Beemster (hierna: de gemeenteraad) geweigerd een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), te nemen en de door appellante gevraagde vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO, te verlenen ten behoeve van de bouw van een woning aan [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 27 juni 2002 heeft de gemeenteraad het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 maart 2003, verzonden op 21 maart 2003, heeft de rechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 27 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 mei 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 juni 2003 heeft de gemeenteraad van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 september 2003, waar appellante in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door T.J.W. Bult, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad verklaren dat een bestemmingsplan wordt voorbereid.

Ingevolge artikel 19, vierde lid, van de WRO wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor

a. het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien of

b. geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

2.1.1. Ter plaatse van het perceel geldt het bestemmingsplan Landelijk Gebied 1970 (hierna: het bestemmingsplan), aangezien voor het betreffende perceel door gedeputeerde staten goedkeuring is onthouden aan het bestemmingsplan Landelijk Gebied 1994.

Ingevolge het bestemmingsplan hebben de gronden waarop het perceel is gelegen de bestemming “Agrarische doeleinden III”. In artikel 7, eerste lid, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan is bepaald dat deze gronden zijn bestemd voor agrarische gebruik en voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf ter plaatse nodige bouwwerken (geen woningen).

2.2. Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de gemeenteraad niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren te verklaren dat een bestemmingsplan wordt voorbereid. Daartoe voert zij aan dat het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel daar in dit geval aan in de weg staan.

2.3. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de gemeenteraad bij de beslissing op een verzoek om een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de WRO te nemen een grote mate van beleidsvrijheid heeft. Een dergelijke beslissing is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij het bestuursorgaan bestaan over de wenselijke planologische ontwikkelingen. Een dergelijke beslissing dient de rechter derhalve terughoudend te toetsen.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat niet is gebleken dat het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat appellante medewerking aan de realisering van het door haar gewenste project zou worden verleend indien door de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst (hierna: GGD) een indicatie voor rustig wonen zou worden gegeven. In dit verband is van belang dat niet is gebleken dat de beweerdelijk gedane toezegging op schrift staat en deze ook overigens niet aannemelijk is geworden. Zo is zowel in de brief van 31 juli 1998 als in de adviesaanvraag van 3 augustus 1998, waar appellante naar verwijst, overwogen dat burgemeester en wethouders van de gemeente Beemster eerst na ontvangst van advies van de GGD een standpunt zullen innemen omtrent het door appellante gedane verzoek om medewerking.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel treft evenmin doel. De situatie van appellante wordt in de geneeskundige adviezen waar zij naar verwijst als stabiel aangemerkt, terwijl destijds over [partij] is gemeld dat zij een beperkte draagkracht (chronische psychiatrie) heeft met een risico voor decompensatie. Verder is van belang dat in het geval van [partij] het afwijzen van haar verzoek zou hebben geleid tot een gedwongen vertrek van de betreffende locatie, hetgeen voor haar blijkens de toentertijd uitgebrachte rapporten op medische bezwaren stuitte, terwijl voor appellante geldt dat rustig wonen is geïndiceerd, doch niet noodzakelijkerwijs aan de Kolkweg. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het geval van appellante niet gelijk is aan dat van [partij].

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het beroep tegen de weigering een voorbereidingsbesluit te nemen terecht ongegrond heeft verklaard.

2.4. De rechtbank heeft voorts terecht geconcludeerd dat de door appellante gevraagde vrijstelling niet kon worden verleend, reeds omdat het ter plaatse geldende bestemmingsplan ouder is dan 10 jaar en er ten tijde van het bestreden besluit geen vrijstelling als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de WRO was verleend en ook geen voorbereidingsbesluit gold of een ontwerp voor herziening ter inzage was gelegd, hetgeen ingevolge artikel 19, vierde lid, van de WRO is vereist. Anders dan appellante stelt kon de rechtbank een inhoudelijke beoordeling van de door haar aangevoerde ruimtelijke onderbouwing van het project dan ook achterwege laten.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven w.g. Sluiter

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2003

292.