Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AM5434

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2003
Datum publicatie
29-10-2003
Zaaknummer
200302295/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 1997 heeft de gemeenteraad van de gemeente Heerlen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 februari 1997, het bestemmingsplan “Grensoverschrijdend bedrijventerrein-GOB Aachen-Heerlen” vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2003/346 met annotatie van MP
JM 2004/8 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302295/1.

Datum uitspraak: 29 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Hamsterwerkgroep Limburg", gevestigd te Geleen, de stichting "Stichting Dassenwerkgroep Limburg", gevestigd te Margraten, de stichting "Stichting Aktiegroep Industrieterrein Langveld", gevestigd te Bocholtz, de stichting "Stichting Milieufederatie Limburg", gevestigd te Maastricht en "Naturschutzbund Deutschland e.V. Stadtverband Aachen e.V.", gevestigd te Aken (Duitsland),

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 1997 heeft de gemeenteraad van de gemeente Heerlen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 februari 1997, het bestemmingsplan “Grensoverschrijdend bedrijventerrein-GOB Aachen-Heerlen” vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 14 oktober 1997, kenmerk 97/48489M, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Bij uitspraak van 26 oktober 1999, no. E01.97.0672, heeft de Afdeling het hiertegen door de toenmalige appellanten sub 2, 3 en 4 ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 14 oktober 1997 vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 4 februari 2003, kenmerk 2003/2969, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 8 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 9 april 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 mei 2003.

Bij brief van 21 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [voorzitter] van de stichting "Stichting Hamsterwerkgroep Limburg", en verweerder, vertegenwoordigd door mr. L.H.M. Vorstermans, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Tevens zijn daar gehoord de raad van de gemeente Heerlen en GOB Heerlen – Aachen N.V., beide vertegenwoordigd door mr. Q.J. Tjeenk Willink, advocaat te Amsterdam.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Appellante de stichting “Stichting Hamsterwerkgroep Limburg”, heeft niet binnen de in artikel 23, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voorgeschreven termijn van vier weken een zienswijze tegen het ontwerpplan ingebracht.

In het stelsel, neergelegd in artikel 28, zevende lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, tweede lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, indien tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de gemeenteraad is ingebracht.

Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest tijdig een zienswijze in te brengen.

Deze uitzonderingen doen zich hier niet voor.

Het beroep, voor zover ingesteld door de stichting “Stichting Hamsterwerkgroep Limburg”, is dan ook niet-ontvankelijk.

2.3. Appellante "Naturschutzbund Deutschland e.V. Stadtverband Aachen e.V.", heeft tegen het plan geen bedenkingen ingebracht bij verweerder.

In het stelsel, neergelegd in artikel 28, zevende lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, indien tegen het plan bedenkingen zijn ingebracht bij het college van gedeputeerde staten.

Dit is slechts anders voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest bedenkingen in te brengen.

Deze uitzonderingen doen zich hier niet voor.

Het beroep, voor zover ingesteld door "Naturschutzbund Deutschland e.V. Stadtverband Aachen e.V.", is dan ook niet-ontvankelijk.

2.4. Verweerder heeft ter zitting twijfels geuit omtrent de ontvankelijkheid van appellante de stichting "Stichting Dassenwerkgroep Limburg".

De Afdeling heeft deze appellante in bovenvermelde onherroepelijke uitspraak van 26 oktober 1999, no. E01.97.0672, ontvankelijk geacht. Zij ziet thans geen aanleiding voor een ander oordeel.

2.5. Het bestemmingsplan betreft de aanleg van een grensoverschrijdend bedrijventerrein tussen Aken en Heerlen. Het plan voorziet in de aanleg van het Nederlandse deel van dit bedrijventerrein (hierna: het GOB) en heeft betrekking op een gebied van ongeveer 57 hectare dat ligt tussen – globaal gezien – de Rijksweg 76 in het westen en de grens tussen Nederland en Duitsland in het oosten.

Bij het besluit van 14 oktober 1997 heeft verweerder het plan grotendeels goedgekeurd.

2.6. Dit besluit van 14 oktober 1997 is door de Afdeling bij eerdergenoemde uitspraak van 26 oktober 1999 vernietigd, voor zover het de goedkeuring aan het op de bij de uitspraak behorende gewaarmerkte kaart aangegeven plangedeelte betreft. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de vraag of de Habitatrichtlijn correct is geïmplementeerd en zo ja, of het inmiddels genomen maar ook in rechte bestreden besluit tot het verlenen van een ontheffing in overeenstemming is met artikel 25 van de Natuurbeschermingswet, pas aan de orde komt in de procedure waarin het besluit tot het verlenen van de ontheffing in geding is. In geval van correcte implementatie geldt hetzelfde wat betreft de vraag of een direct beroep op de Habitatrichtlijn kan worden gedaan. Het bovenstaande doet er volgens de Afdeling in die uitspraak niet aan af dat verweerder geen goedkeuring aan het plan had kunnen verlenen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat geen ontheffing als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet zou kunnen worden verleend. Evenmin had verweerder volgens de Afdeling aan het plan goedkeuring kunnen verlenen, indien hij in redelijkheid had moeten inzien dat het plan, mede gelet op artikel 2, eerste lid, van het Besluit ontheffingen en vrijstellingen Natuurbeschermingswet, er toe zou leiden dat het natuurlijke verspreidingsgebied van de hamsters in die mate wordt aangetast dat zij daarin niet meer kunnen voortbestaan. Voorgaande overwegingen heeft de Afdeling evenzeer van toepassing geacht op het beroep dat de appellanten hebben gedaan op het Verdrag van Bern. De Afdeling heeft in rechtsoverweging 2.8.16. van de uitspraak van 26 oktober 1999 vervolgd dat niet is gebleken dat verweerder in voldoende mate in zijn besluitvorming heeft betrokken hetgeen zij daarvoor had overwogen. Gelet daarop heeft de Afdeling het besluit van 14 oktober 1997, voor zover het betreft het op de bij de uitspraak behorende kaart aangegeven plandeel, geacht te zijn genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.7. Bij het thans bestreden besluit van 4 februari 2003 heeft verweerder het bestemmingsplan goedgekeurd conform zijn eerdere besluit van 14 oktober 1997.

2.8. Appellanten sub 2, 3 en 4 hebben in beroep aangevoerd dat verweerder het bestemmingsplan ten onrechte (grotendeels) heeft goedgekeurd. Zij stellen (samengevat) dat verweerder zijn besluit op onzorgvuldige wijze heeft genomen. Verweerder had, zo stellen zij, een eigen, onafhankelijk onderzoek moeten instellen, waaruit volgens hen geconstateerd had kunnen worden dat nog steeds in strijd met de Habitatrichtlijn wordt gehandeld. Voorts hebben appellanten aangevoerd dat er op dit moment geen noodzaak is om het GOB verder vrij te geven voor bebouwing. Verweerder had naar de mening van appellanten met zijn besluitvorming moeten wachten op de uitkomst van de zaak die de Europese Commissie heeft aangespannen tegen Nederland en Duitsland wegens het niet correct implementeren van de Habitatrichtlijn.

2.9. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van uitspraken van de Afdeling van 15 januari 2001, inzake no. 200004163/1, en van 30 januari 2002, inzake no. 200100858/2, de conclusie is gerechtvaardigd dat voor het gehele plangebied de ontheffingsplicht als bedoeld in (inmiddels) artikel 75 van de Flora- en faunawet niet meer aan de orde is. Immers zijn in het plandeel, ten aanzien waarvan de Afdeling in de uitspraak van 26 oktober 1999 het besluit van verweerder heeft vernietigd, gedurende een periode van vier jaar geen sporen van aanwezigheid van hamsters waargenomen. Ook voor het overige is volgens verweerder aan de in de uitspraak van 26 oktober 1999 geformuleerde voorwaarden voldaan en is het besluit zorgvuldig genomen.

2.10. In de uitspraak van 15 januari 2001, inzake no. 200004163/1 (JB 2001/68), die betrekking heeft op een ontheffing op grond van artikel 25 van de Natuurbeschermingswet voor de plangebieden van de bestemmingsplannen “Beitel-Zuid” en het onderhavige bestemmingsplan, heeft de Afdeling geoordeeld dat de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; hierna: de Staatssecretaris) zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een ontheffing niet meer noodzakelijk is voor gronden waar ten tijde van het nemen van de beslissing op het bezwaarschrift reeds vier jaar geen hamsters of hamsterburchten zijn aangetroffen. De Staatssecretaris had zich voor dat standpunt aangesloten bij adviezen van het bureau Natuurbalans, het instituut Alterra en het Expertisecentrum Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. In die adviezen wordt aangegeven dat als in een gebied in een periode van circa vier jaar geen hamsterburchten meer zijn gezien, aangenomen mag worden dat er geen hamsters meer aanwezig zijn. De Staatssecretaris had bij zijn standpunt voorts betrokken, dat het instituut Alterra bij zijn onderzoek heeft aangegeven dat een marge van vier jaar op zich discutabel is, maar dat deze periode toch kan worden aangehouden als aan twee voorwaarden wordt voldaan: er moet sprake zijn van een gebiedsdekkende inventarisatie op een tijdstip dat de dichtheden het grootst zijn en er moet bekend zijn of er in de omgeving van het gebied hamsters voorkomen.

De Afdeling heeft vervolgens de beslissing van de Staatssecretaris, dat de ontheffing op de delen van het plangebied waar een ontheffing wel noodzakelijk was, te handhaven, vernietigd. De Staatssecretaris heeft daarop in een nieuwe beslissing op bezwaar van 14 februari 2001 een ontheffing geweigerd voor de gronden waarvoor een ontheffingsplicht gold.

In haar uitspraak van 30 januari 2002, inzake no. 200100858/2 (aangehecht) heeft de Afdeling het door appellanten ingestelde beroep tegen het besluit van 14 februari 2001 ongegrond verklaard.

2.10.1. In het thans bestreden besluit omtrent goedkeuring heeft verweerder aangegeven dat artikel 25 van de Natuurbeschermingswet met ingang van 1 april 2002 is vervallen en vervangen door artikel 75 van de Flora- en faunawet. Voorts heeft verweerder vastgesteld dat ten aanzien van het deel van het plangebied waarin in 1998 nog hamsterburchten zijn aangetroffen en waarvoor de Staatssecretaris blijkens de beslissing van 14 februari 2001 een ontheffing heeft geweigerd, inmiddels een periode van vier jaar is verstreken. Voorts heeft verweerder er op gewezen dat in het kader van de voorbereiding van het bestreden besluit in opdracht van GOB Avantis door Bureau Natuurbalans-Limes Divergens in augustus 2002 voor het betreffende gebied een hamsterinventarisatie is uitgevoerd, die heeft geresulteerd in het rapport “Monitoring hamster bedrijventerrein GOB 2002” van 8 september 2002. Uit de conclusies van dit rapport blijkt dat er tijdens de najaarsinventarisatie in het GOB-terrein geen burchten of andere sporen van hamsters zijn aangetroffen. Gezien de omstandigheid dat sedert 1999 bij de uitgevoerde voor- en najaarsinventarisaties geen burchten of andere sporen van hamsters zijn waargenomen, achten de onderzoekers de stelling gerechtvaardigd dat er momenteel geen hamsters voorkomen binnen het onderzoeksgebied van het GOB-terrein.

De Afdeling ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder zich bij zijn beslissing niet heeft mogen baseren op de hierboven genoemde onderzoeken. Zij is voorts, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verweerder in redelijkheid de gevolgtrekking heeft kunnen maken dat het thans aan de orde zijnde plangebied geen hamsterleefgebied meer is, zodat de ontheffingsplicht daarvoor niet meer bestaat. Het betoog van appellanten ter zitting, dat in april 2001 door hen burchten zijn gevonden ten noorden van het plangebied, op Duits grondgebied, gaf de Afdeling blijkens de uitspraak van 30 januari 2002, inzake no. 200100858/2, geen aanleiding voor een ander oordeel in die zaak, nu uit een deskundigenrapport bleek dat de gevonden burchten werden bewoond door een bruine rat. Appellanten hebben thans naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de door hen bedoelde burchten toch hamsterburchten betroffen.

2.10.2. In de uitspraak van 26 oktober 1999 heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder in redelijkheid de noodzaak van de aanleg van het GOB, zoals die door het plan mogelijk wordt gemaakt, heeft kunnen onderschrijven. Appellanten hebben thans aangevoerd dat gebleken is dat Zuid-Limburg geen geschikte vestigingsplaats is voor kennisintensieve bedrijven, zodat er geen noodzaak is om het GOB verder vrij te geven voor bebouwing. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling echter geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder thans, mede waar het gaat om de goedkeuring van slechts een gedeelte van het bestemmingsplan, namelijk dat gedeelte dat bij de uitspraak van 26 oktober 1999 om een andere reden is vernietigd, tot een andere beslissing omtrent de noodzaak van het bestemmingsplan had moeten komen.

2.10.3. Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat de in het plan verlangde natuurcompensatie niet gewerkt heeft, omdat dit geen hamsters heeft opgeleverd, verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 30 januari 2002, inzake no. 200100858/2. Daarin overweegt zij dat, aangezien als gevolg van de bestreden beslissing geen hamsters zullen worden verstoord, geen grond bestaat voor het betoog van appellanten dat verweerder compenserende maatregelen had moeten treffen.

Met betrekking tot het betoog van appellanten dat van de volgens het “Hamsterbeschermingsplan 2000-2004” aan te leggen verbinding tussen de Nederlandse en de Duitse populatie nog niets concreets is terechtgekomen, heeft verweerder gesteld dat dit vraagstuk materieel en juridisch buiten de beoordeling van het bestreden besluit valt. Daaraan heeft hij toegevoegd dat hij het Ministerie van Landbouw, Natuurheer en Visserij (thans: het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) opdracht heeft gegeven tot het laten doen van nader onderzoek naar de haalbaarheid van de aanleg van een duurzame hamsterverbinding ten zuiden van Heerlen. Dit onderzoek is inmiddels afgerond en de bevindingen zijn neergelegd in het rapport van Bureau Waardenburg, getiteld “Hamsters onderweg, verbindingszone voor akkergebonden soorten in Zuidoost Limburg (eindrapport 16 januari 2003, nummer 02-021). Recentelijk heeft tussen betrokken partijen overleg plaatsgevonden omtrent de feitelijke uitvoering van de in het rapport opgenomen voorstellen. Daarbij is uitgesproken dat men zich op constructieve wijze zal inzetten voor de feitelijke realisering en financiering van de verbindingszone. Op dit moment worden de technische en financiële consequenties van de verschillen nader uitgewerkt.

Deze standpunten komen de Afdeling niet onjuist voor. Gelet daarop heeft verweerder ook in dit onderdeel van het beroep van appellanten geen reden behoeven te zien om goedkeuring aan het bestemmingsplan te onthouden.

2.10.4. Met betrekking tot de beroepsgrond, dat verweerder met zijn besluitvorming had moeten wachten op de uitkomst van een zaak die door de Europese Commissie wordt aangespannen tegen Nederland en Duitsland wegens het niet correct implementeren van de Habitatrichtlijn, heeft verweerder gesteld dat deze procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen ten tijde van het bestreden besluit nog niet was gestart, zodat het wachten op de uitkomst daarvan niet aan de orde is.

De Afdeling is niet van de onjuistheid van deze stelling gebleken en is van oordeel dat verweerder terecht heeft beslist dat de beroepsgrond reeds hierom faalt.

2.11. Gezien al het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover ingesteld door appellanten de stichting "Stichting Hamsterwerkgroep Limburg" en "Naturschutzbund Deutschland e.V. Stadtverband Aachen e.V.";

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Z.N. Kammeraat, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Kammeraat

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2003

295.