Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AM5425

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2003
Datum publicatie
29-10-2003
Zaaknummer
200302089/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juni 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoorn (hierna: het college) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) verleend van de bepalingen van het vigerende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Westfrisia Oost Fase II" voor het realiseren van een dam en een ontsluiting achter het perceel, kadastraal bekend gemeente Hoorn, sectie I, nummer 8112 en 7839, plaatselijk bekend als deels [locatie 1] deels Corantijn te [plaats], gemeente Hoorn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302089/1.

Datum uitspraak: 29 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Alkmaar van 19 februari 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoorn (hierna: het college) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) verleend van de bepalingen van het vigerende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Westfrisia Oost Fase II" voor het realiseren van een dam en een ontsluiting achter het perceel, kadastraal bekend gemeente Hoorn, sectie I, nummer 8112 en 7839, plaatselijk bekend als deels [locatie 1] deels Corantijn te [plaats], gemeente Hoorn.

Bij besluit van 24 december 2001 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 februari 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 1 april 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 april 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 juni 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2003, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. L.A.A. van Wakeren, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant woont aan de [locatie 2] te Zwaag. Achter dit perceel en het naastgelegen perceel [locatie 1] bevindt zich een bedrijventerrein. Op het perceel [locatie 1] wordt door de vennootschap onder firma "Firma Gebr. Vlaar" (hierna: de vennootschap) een fruitverwerkings- en opslagbedrijf geëxploiteerd. De vrijstelling is verleend voor het realiseren van een dam met een breedte van ongeveer 10 meter in de watergang achter laatstgenoemd perceel, tussen het bedrijventerrein en de Dorpsstraat, en het realiseren van een ontsluitingsweg met een lengte van 75 meter, lopend vanaf de watergang tot aan een rotonde op het bedrijventerrein.

2.2. Het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de in zijn ogen klevende gebreken aan de in 1995 door de vennootschap met het college gesloten privaatrechtelijke overeenkomst met betrekking tot de realisering van de dam en de ontsluitingsweg, kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat die overeenkomst in deze procedure niet ter beoordeling staat. Voorts valt niet in te zien dat appellant in zijn belangen is geschaad, doordat het college niet heeft gereageerd op de door appellant in 1997 naar voren gebrachte bedenkingen met betrekking tot het eerdere verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO, zoals die bepaling luidde tot 3 april 2000, voor dezelfde werkzaamheden. Appellant heeft zijn zienswijzen immers nogmaals kenbaar gemaakt in het kader van de in december 2000 aangevangen procedure die heeft geleid tot de thans ter beoordeling staande toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO. In het kader van deze procedure is het college ingegaan op de zienswijzen van appellant.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Westfrisia Oost Fase II" rusten op de gronden waarop de dam en de ontsluitingsweg worden gerealiseerd de bestemmingen "Bedrijven", "Groenvoorzieningen" en "Water".

De aanleg van de ontsluitingsweg is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, in strijd met de bestemmingen "Groenvoorzieningen" en “Water”.

2.4. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten is vereist dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing van het betrokken project is van overeenkomstige toepassing.

Onder goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of inter-gemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.5. Gedeputeerde staten van Noord-Holland hebben bij brief van 21 juni 2000, verzonden op 21 augustus 2000, hun notitie bekendgemaakt over toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO. Ingevolge deze notitie kunnen burgemeester en wethouders zonder verklaring van geen bezwaar vrijstelling verlenen voor projecten die niet afwijken van vastgesteld provinciaal ruimtelijk beleid (bijvoorbeeld streekplan) of van vastgesteld ruimtelijk rijksbeleid (zoals een planologische kernbeslissing) en die geen speerpunten van beleid betreffen en waarover geen overleg op grond van artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 is gevoerd. Projecten die tot doel hebben het ontwikkelen, bouwrijp maken en invullen van nieuwe bedrijventerreinen, dan wel het uitbreiden van bestaande bedrijventerreinen, vallen onder de speerpunten van beleid.

2.6. Het betoog van appellant dat geen sprake is van een geval waarvoor, zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar, vrijstelling kan worden verleend zoals bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, faalt. Gelet op de agrarische bestemming van het perceel [locatie 1], valt niet in te zien dat de door realisering van de dam en de ontsluitingsweg ontstane verbinding tussen dit perceel en het bedrijventerrein feitelijk tot gevolg zal hebben dat het bedrijventerrein zal worden uitgebreid.

2.7. Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het project waarvoor vrijstelling is verleend een goede ruimtelijke onderbouwing ontbeert. Daartoe voert hij aan dat sprake is van een ingrijpende inbreuk op het planologische regime.

2.8. Dit betoog faalt evenzeer. De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen sprake is van een ingrijpende inbreuk op het ter plaatse geldende planologisch regime. Het realiseren van een dam op de bestemming "Water" levert slechts een geringe inbreuk op die bestemming op. Ook de te realiseren ontsluitingsweg vormt slechts een geringe inbreuk op het planologische regime, nu die weg, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, grotendeels wordt aangelegd op gronden met de bestemming "Bedrijven", op welke gronden de aanleg van ontsluitingswegen is toegestaan, en slechts voor een klein gedeelte op gronden met de bestemming "Groenvoorziening". Gelet op de betrekkelijk geringe inbreuk op het geldende planologische regime valt niet in te zien dat het realiseren van de dam en de ontsluitingsweg in strijd is met de uitgangspunten van het bestemmingsplan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college dan ook heeft kunnen volstaan met een ruimtelijke onderbouwing waarin de relatie met het geldende bestemmingsplan en de aanleiding om daarvan af te wijken wordt aangegeven.

2.9. Appellant betoogt vervolgens tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen, omdat door realisering van de dam en de ontsluitingsweg een sluiproute zal ontstaan vanaf het bedrijventerrein naar de Dorpsstraat. Blijkens de stukken is het belang van de ontsluitingsweg erin gelegen de Dorpsstraat te ontlasten van (vracht)verkeer. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet aannemelijk is dat de ontsluitingsweg als sluiproute zal worden gebruikt, nu de ontsluitingsweg geen voor het openbaar verkeer openstaande weg is en het derden niet is toegestaan daarvan gebruik te maken. Voorts wordt in aanmerking genomen dat namens de vennootschap is verklaard dat de bereidheid bestaat een hek te plaatsen aan de zijde van de Dorpsstraat, waarmee de doorgang naar die straat wordt verhinderd. Bovendien is namens het college ter zitting gesteld dat uitgangspunt bij de besluitvorming is geweest dat de ontsluitingsweg geen sluiproute is en toegezegd dat zonodig maatregelen getroffen zullen worden om te verhinderen dat de ontsluitingsweg als doorgaande weg zal worden gebruikt.

2.10. De enkele vrees van appellant dat de groene bufferzone achter zijn woonhuis zal verdwijnen als gevolg van het draaien en keren van vrachtauto's biedt onvoldoende grond voor het standpunt dat het college in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen.

De rechtbank heeft derhalve terecht geen reden gezien voor een andersluidend oordeel.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2003

71-378-423.