Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AM5414

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2003
Datum publicatie
29-10-2003
Zaaknummer
200301989/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juni 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Neerijnen (hierna: het college) de door appellant gevraagde bouwvergunning voor het plaatsen van een unit (kantoor/kantine) ten behoeve van zijn stratenmakersbedrijf op het perceel [locatie] te [plaats], geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301989/1.

Datum uitspraak: 29 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Arnhem van 10 februari 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Neerijnen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Neerijnen (hierna: het college) de door appellant gevraagde bouwvergunning voor het plaatsen van een unit (kantoor/kantine) ten behoeve van zijn stratenmakersbedrijf op het perceel [locatie] te [plaats], geweigerd.

Bij besluit van 8 januari 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 februari 2003, verzonden op 17 februari 2003, heeft de rechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 mei 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 juni 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 september 2003, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.H. Kroeze en drs. S. Willems, ambtenaren van de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met de voorschriften behorende bij de bestemming “Agrarisch gebied klasse Z” die ter plaatse geldt krachtens het bestemmingsplan “Kom Est” (hierna: het bestemmingsplan).

Het geding spitst zich toe op de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het overgangsrecht geen basis biedt voor het verlenen van de gevraagde bouwvergunning.

2.2. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het bestemmingsplan, voorzover van belang, mogen bestaande bouwwerken worden uitgebreid, al dan niet vrijstaand in directe ruimtelijke relatie met het bestaande bouwwerk of de bestaande bouwwerken, mits het bouwwerk naar zijn aard in overeenstemming wordt gebracht met het plan of blijft binnen de categorie waartoe het behoort en geen andere afwijkingen van het plan ontstaan, met dien verstande dat: (…) b. het aanwezige oppervlak van het bestaande bouwwerk of bij elkaar behorende bouwwerken – ten tijde van de ter visielegging van het ontwerpplan – met niet meer dan 10% wordt uitgebreid; (…) d. als categorieën worden aangemerkt “woningen” en “agrarische bedrijfsbouwwerken”. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen van het gestelde in het eerste lid – ten aanzien van de uitbreiding van 10% - tot een maximale uitbreiding van 25%, mits de uitbreiding plaatsvindt in of achter de voorgevelrooilijn, onder overigens gelijke voorwaarden als bepaald in het eerste lid.

2.3. Anders dan appellant betoogt heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bouwplan tot een andere categorie behoort dan het bestaande bouwwerk, in dit geval de woning. Ook als de bestaande woning moet worden aangemerkt als een bedrijfswoning, zoals appellant meent, valt deze in de categorie “woningen” en niet in de categorie “agrarische bedrijfsbouwwerken”. Het bouwplan waarvoor vergunning is gevraagd kan echter niet worden gerekend tot de categorie “woningen” nu het ziet op een unit die functioneert als kantoor/kantine ten behoeve van het bedrijf van appellant. Het betoog dat de rechtbank ten onrechte concludeert dat het overgangsrecht geen basis biedt voor het verlenen van de gevraagde bouwvergunning, kan dan ook niet slagen.

2.4. Gezien het vorenstaande is de rechtbank met juistheid tot de slotsom gekomen dat het college de gevraagde vergunning terecht, overeenkomstig artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet, heeft geweigerd.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.

w.g. Ettekoven w.g. Sluiter

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2003

292.