Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AM5393

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-10-2003
Datum publicatie
28-10-2003
Zaaknummer
200306155/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft bij besluit van 23 juli 2003, nr. RE2001.85607, een vergunning onder voorschriften ingevolge de Ontgrondingenwet verleend aan Van Roosmalen’s Transport- en Handelsmaatschappij B.V. te Maastricht voor het ontgronden van de percelen, kadastraal bekend gemeente Druten, sectie E, nrs. 213, 214, 215, 219, 220, 222, 223, 224, 452, 453, 636 en 637.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306155/2.

Datum uitspraak: 23 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de leden van de Werkgroep Geertjesgolf, onder meer wonend te Winssen,

verzoekers,

en

gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 23 juli 2003, nr. RE2001.85607, een vergunning onder voorschriften ingevolge de Ontgrondingenwet verleend aan [vergunninghouder] te [plaats] voor het ontgronden van de percelen, kadastraal bekend gemeente Druten, sectie […], nrs. […].

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 12 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 11 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2003, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 oktober 2003, waar verzoekers, bij monde van [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door ing. G. Pieters, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Namens het gemeentebestuur van Druten is S. Tichelaar, ambtenaar van de gemeente, gehoord. Verder zijn mr. D.R. Poorter, advocaat te Nijmegen, en [gemachtigde], gehoord namens [vergunninghouder].

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De verleende ontgrondingsvergunning maakt een uitbreiding mogelijk van de regionale zandwinning “De Uivermeertjes” bij Deest.

De te ontgronden percelen liggen ten zuiden van de [locatie].

2.3. Namens vergunninghoudster is de vraag opgeworpen of verzoekers in hun beroep kunnen worden ontvangen.

De Voorzitter overweegt hierover het volgende.

Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Ontgrondingenwet kan tegen een besluit als hier aan de orde beroep worden ingesteld door belanghebbenden.

In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De vraag of verzoekers kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden zal in de bodemzaak door de Afdeling moeten worden beantwoord. Voorshands ziet de Voorzitter geen aanleiding voor de verwachting dat de Afdeling het beroep van verzoekers in de bodemzaak niet-ontvankelijk zal verklaren.

2.4. Verzoekers kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen en vragen schorsing hiervan. Zij hebben aangevoerd dat de te ontgronden percelen liggen binnen het gebied van de H1-locatie, die door verweerder in 1988 is aangewezen als winzone voor de landelijke industriezandwinning. Verzoekers menen daarom dat in het gebied geen ontgronding mag plaatsvinden ten behoeve van de regionale industriezandwinning.

Verder hebben verzoekers bezwaren aangevoerd over de herinrichting van de te ontgronden percelen. Zij menen dat een inrichtingsplan moet worden opgesteld waarin het totale gebied, inclusief de H1-locatie, is opgenomen.

Ten slotte hebben verzoekers aangevoerd dat niet duidelijk is of de gemeente Druten planologische medewerking zal verlenen aan de ontgronding.

2.5. De Voorzitter stelt vast dat verzoekers zich niet verzetten tegen de ontgronding als zodanig. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting hebben zij immers geen bezwaar tegen het winnen van zand binnen het gebied waarop de vergunning betrekking heeft, maar tegen de kwalificatie van de zandwinning (regionaal of landelijk) en tegen het ontbreken van een integrale visie ten aanzien van de herinrichting van het totale gebied, inclusief de H1-locatie.

Deze bezwaren kunnen in de bodemzaak door de Afdeling worden beoordeeld. Gezien de aard van de bezwaren ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat gebruikmaking van de vergunning – volgens vergunninghoudster noodzakelijk met het oog op de continuïteit van de zandwinning - zou kunnen leiden tot een onomkeerbare situatie die de behandeling van de bodemzaak in feite illusoir zou maken.

Verder stelt de Voorzitter vast dat het gemeentebestuur van Druten vóór het nemen van het bestreden besluit aan verweerder heeft medegedeeld dat de gemeente, voorzover nodig, planologische medewerking zal verlenen aan de ontgronding. Gelet hierop ziet de Voorzitter geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 10, achtste lid, van de Ontgrondingenwet, waarin – voorzover hier van belang – is bepaald dat een vergunning niet wordt verleend indien de beoogde ontgronding in strijd zou zijn met een bestemmingsplan, een ter inzage gelegd ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan of een geldend voorbereidingsbesluit ter zake, tenzij de raad van de betrokken gemeente heeft medegedeeld planologische medewerking te zullen verlenen.

2.6. Gelet op het vorenstaande is de Voorzitter van oordeel dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben bij schorsing van de vergunning. Er is derhalve geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek dient daarom te worden afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. De Rooy

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2003

208.