Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AM5391

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-10-2003
Datum publicatie
28-10-2003
Zaaknummer
200306132/1, 200306133/1, 200306138/1 en 200306409/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 augustus 2003, kenmerk NL 107462, heeft verweerder krachtens artikel 28, eerste lid, van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en vanuit de Europese Gemeenschap (hierna: EVOA), bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verzoekster om 20.000.000 kilogram van een residu na sortering van bouw- en sloopafval, bedrijfsafval en grof huishoudelijk afval uit te voeren naar Duitsland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2004, 54
Milieurecht Totaal 2003/2364
JAF 2003/66 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306132/1, 200306133/1, 200306138/1 en 200306409/1.

Datum uitspraak: 23 oktober 2003.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "SITA Recycling Services Noord-Oost B.V.", gevestigd te Arnhem,

verzoekster,

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

200306132/1

Bij besluit van 13 augustus 2003, kenmerk NL 107462, heeft verweerder krachtens artikel 28, eerste lid, van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en vanuit de Europese Gemeenschap (hierna: EVOA), bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verzoekster om 20.000.000 kilogram van een residu na sortering van bouw- en sloopafval, bedrijfsafval en grof huishoudelijk afval uit te voeren naar Duitsland.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 12 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

200306133/1

Bij besluit van 27 augustus 2003, kenmerk NL 105227, heeft verweerder krachtens artikel 28, eerste lid, van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en vanuit de Europese Gemeenschap (hierna: EVOA), bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verzoekster om 10.000.000 kilogram van een residu na sortering van bouw- en sloopafval en bedrijfsafval uit te voeren naar Duitsland.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 12 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

200306138/1

Bij besluit van 5 september 2003, kenmerk NL 105226, heeft verweerder krachtens artikel 28, eerste lid, van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en vanuit de Europese Gemeenschap (hierna: EVOA), bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verzoekster om 20.000.000 kilogram van een residu na sortering van bouw- en sloopafval en bedrijfsafval uit te voeren naar Duitsland.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 12 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

200306409/1

Bij besluit van 5 september 2003, kenmerk NL 105221, heeft verweerder krachtens artikel 28, eerste lid, van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en vanuit de Europese Gemeenschap (hierna: EVOA), bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verzoekster om 50.000.000 kilogram van een residu na sortering van bouw- en sloopafval, bedrijfsafval en grof huishoudelijk afval uit te voeren naar Duitsland.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 25 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 september 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 16 oktober 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.A.G. Welschen en drs. S.A.N. Geerling, ambtenaren van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft blijkens de bestreden besluiten bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verzoekster om de genoemde afvalstoffen uit te voeren met toepassing van de procedure van algemene kennisgeving als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de EVOA, omdat volgens hem niet wordt voldaan aan de daarvoor gestelde vereisten. Verweerder stelt zich, mede gelet op het bepaalde in paragraaf 12.6 van het Landelijk afvalbeheerplan 2002 – 2012 (hierna: het LAP), op het standpunt dat niet gegarandeerd kan worden dat iedere afzonderlijke overbrenging van afvalstoffen over dezelfde fysische en chemische eigenschappen beschikt, omdat het sorteerproces bij verzoekster hiertoe ontoereikend is en onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van selectieve inzameling.

2.2. Verzoekster betoogt dat de wijze van sorteren niet dwingend in paragraaf 12.6 van het LAP is voorgeschreven. Dit is ook niet mogelijk, omdat deze keuze afhankelijk is van onder andere de aard, fysische eigenschappen, bestemming en beoogde verwerkingsmethode van de afvalstoffen. Daarom vindt de sortering van afvalstoffen dan ook op verschillende manieren plaats, variërend van het gebruik van uitgebreide sorteerinstallaties tot het gebruik van eenvoudige sorteermethodes. Hieraan voorafgaand vindt veelal selectieve inzameling plaats, aldus verzoekster. In dit verband wijst zij erop dat al haar klanten zijn verdeeld in BIK codes (branchecodes Kamer van Koophandel). De Kamer van Koophandel heeft alle Nederlandse bedrijven ingedeeld in bepaalde segmenten en elk segment zijn eigen BIK codering gegeven. Haar inzamelroutes zijn zodanig georganiseerd en verdicht dat segmenten met dezelfde kwaliteit afval in dezelfde inzamelroute vallen. Hierdoor is volgens verzoekster de inhoud van de inzamelvoertuigen en de samenstelling van het ingezamelde afval bekend. Verder wijst zij erop dat bij alle sorteerprocessen de ontvangen vracht op geschiktheid voor het desbetreffende sorteerproces wordt beoordeeld door een daarvoor opgeleide medewerker. De uitgesorteerde fracties worden na het sorteren vervolgens nogmaals door een daarvoor opgeleide medewerker visueel geïnspecteerd. Periodiek wordt de samenstelling van de te exporteren afvalstoffen getoetst door middel van een sorteeranalyse. Volgens verzoekster wordt op deze wijze gegarandeerd dat de fysische en chemische samenstelling van alle vrachten hetzelfde zijn. Bovendien is zij van mening dat het sorteren met behulp van een sorteerinstallatie, die bestaat uit de in het LAP genoemde componenten, niet per definitie garandeert dat de afvalstoffen dezelfde fysische en chemische samenstelling hebben.

2.3. Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de EVOA kan, met inachtneming van zijn verplichtingen uit hoofde van de toepasselijke artikelen 3, 6, 9, 15, 17, 20, 22, 23 en 24 de kennisgever gebruik maken van een procedure van algemene kennisgeving, wanneer voor verwijdering of nuttige toepassing bestemde afvalstoffen met dezelfde fysische en chemische eigenschappen periodiek via dezelfde route naar dezelfde ontvanger worden overgebracht. Indien deze route wegens onvoorziene omstandigheden niet kan worden gevolgd, brengt de kennisgever de betrokken bevoegde autoriteiten daarvan op de hoogte, zo spoedig mogelijk of voordat de overbrenging begint, indien de noodzaak van routewijziging op dat moment al bekend is. Wanneer de routewijziging bekend is voordat de overbrenging begint, en inhoudt dat andere autoriteiten bevoegd zijn dan die waarvan sprake is in de algemene kennisgeving, wordt deze procedure niet gebruikt.

Ingevolge artikel 28, derde lid, van de EVOA verbinden de betrokken bevoegde autoriteiten aan hun instemming met het gebruik van deze procedure van algemene kennisgeving de voorwaarde dat naderhand aanvullende gegevens worden verstrekt. Indien de samenstelling van de afvalstoffen niet met de kennisgeving overeenkomt of de aan de overbrenging gestelde voorwaarden niet in acht worden genomen, trekken de betrokken bevoegde autoriteiten hun toestemming voor deze procedure in via een officiële mededeling aan de kennisgever. Aan de andere betrokken bevoegde autoriteiten wordt een afschrift van deze mededeling gezonden.

2.4. In paragraaf 12.6 van het LAP komt de vraag aan de orde of de in- en uitvoer van afvalstoffen mogelijk is op basis van een kennisgeving per transport of op basis van een algemene kennisgeving voor meerdere transporten. In voornoemde paragraaf van het LAP is bepaald dat een algemene kennisgeving alleen mogelijk is wanneer de afzonderlijke vrachten afvalstoffen waarop de algemene kennisgeving betrekking heeft dezelfde fysische en chemische eigenschappen hebben. In voornoemde paragraaf van het LAP is verder bepaald dat een partij afvalstoffen met dezelfde fysische en chemische samenstelling in verschillende vrachten kan worden bereikt door de afvalstoffen systematisch te sorteren. Een systematische sortering kan worden bereikt door de afvalstoffen over een sorteerinstallatie te leiden die ten minste voorziet in scheiding van (zeef)zand, steenachtig materiaal, herbruikbare monostromen, zoals hout of metaal, en niet-herbruikbare residu. Voorts is in voornoemde paragraaf van het LAP bepaald dat wanneer de kennisgever een partij afvalstoffen met dezelfde fysische en chemische samenstelling in afzonderlijke vrachten wil bereiken door scheiding aan de bron gevolgd door selectieve inzameling, hij zal moeten aantonen dat hij de ontdoener contractueel verplicht om zijn afvalstoffen gescheiden aan te bieden en dat hij de afvalstoffen selectief inzamelt.

2.5. Het geschil spitst zich naar het oordeel van de Voorzitter toe op de vraag of de uitvoer van de onderhavige afvalstoffen mogelijk is met een algemene kennisgeving als bedoeld in artikel 28 van de EVOA.

De Voorzitter merkt op dat niet gebleken is dat verweerder bezwaar heeft tegen de aanwezigheid van verschillende fracties van afvalstoffen in een partij. Verweerder heeft zijn bezwaar tegen toepassing van de procedure van algemene kennisgeving derhalve alleen gebaseerd op de grond dat niet gegarandeerd is dat de samenstelling van de afvalstoffen overeenkomt met het gestelde in de kennisgevingen.

De Voorzitter is, mede gelet op het bepaalde in paragraaf 12.6 van het LAP zoals hiervoor is weergegeven, van oordeel dat het enkele feit dat de onderhavige afvalstoffen niet met behulp van een sorteerinstallatie, die bestaat uit de in het LAP genoemde componenten, worden gesorteerd onvoldoende is om op voorhand vast te stellen dat de afvalstoffen niet aan de in de kennisgevingen genoemde samenstelling zullen voldoen. Te meer nu blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting verzoekster de afvalstoffen per segment inzamelt en daar waar nodig op het terrein van de inrichting(en) (verder) sorteert. De Voorzitter merkt tevens op dat uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat bij de ontvanger van de onderhavige afvalstoffen zogenaamde ingangsspecificaties gelden, waarin de samenstelling van de te ontvangen afvalstoffen wordt bepaald. Deze ingangsspecificaties zijn – blijkens het verhandelde ter zitting – vastgelegd in het contract tussen verzoekster en ontvanger. Verweerder heeft ook de inrichting(en) van verzoekster niet bezocht om vast te stellen dat de sortering die aldaar plaatsvindt onvoldoende is om te kunnen voldoen aan de kennisgevingen. De Voorzitter is dan ook van oordeel dat de bestreden besluiten in strijd zijn met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht op grond waarvan verweerder onderzoek dient te doen naar de relevante feiten en de bestreden besluiten dienen te berusten op een deugdelijke motivering. Overigens biedt artikel 28, derde lid, van de EVOA aan verweerder de mogelijkheid, indien uit nadere gegevens blijkt dat de over te brengen afvalstoffen niet aan de in de kennisgevingen genoemde samenstelling voldoen, de toestemming tot het gebruik van de procedure van algemene kennisgeving in te trekken.

2.6. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 augustus 2003, kenmerk NL 107462, 27 augustus 2003, kenmerk NL 105227, 5 september 2003, kenmerk NL 105226, en 5 september 2003, kenmerk NL 105221, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissingen op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II. veroordeelt de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de door verzoekster in verband met de behandeling van de verzoeken gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 44,67; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) te worden betaald aan verzoekster;

III. gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan verzoekster het door haar voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht (€ 928,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Den Broeder

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2003.

187-373.