Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AM5379

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2003
Datum publicatie
29-10-2003
Zaaknummer
200206515/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2002, kenmerk 00/15261, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante sub 2 een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting bestemd voor het ontwikkelen en assembleren van apparatuur ten behoeve van de halfgeleiderindustrie gelegen aan de [locatie a] en [locatie b] te [plaats], kadastraal bekend gemeente De Bilt, sectie [-], nummers [-]-[-] en [-].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2003/1282 met annotatie van Redactie
Omgevingsvergunning in de praktijk 2003/4327
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206515/1.

Datum uitspraak: 29 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “ASM Europe B.V.”, gevestigd te Bilthoven,

appellanten,

en

burgemeester en wethouders van De Bilt,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2002, kenmerk 00/15261, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante sub 2 een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting bestemd voor het ontwikkelen en assembleren van apparatuur ten behoeve van de halfgeleiderindustrie gelegen aan de [locatie a] en [locatie b] te [plaats], kadastraal bekend gemeente De Bilt, sectie [-], nummers [-]-[-] en [-]. Dit besluit is op 1 november 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 9 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2002, en appellante sub 2 bij brief van onbekende datum, bij de Raad van State ingekomen op 12 december 2002, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 24 december 2002.

Bij brief van 30 januari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 8 mei 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2003, waar appellante sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde],

en verweerder, vertegenwoordigd door C.L. Visscher en B. Drenth, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit is een revisievergunning verleend voor een inrichting voor het ontwikkelen en assembleren van apparatuur voor de productie van geïntegreerde schakelingen (IC’s of chips). De inrichting, die op een bedrijventerrein is gelegen, bestaat uit diverse bouwdelen en enige kleine buitengebouwen en –opslagen, waaronder de chemicaliënbunker en de gasflessenbunker. Aan de oostzijde van de inrichting bevinden zich een woning en een bedrijfsgebouw van derden. De afstand tussen de chemicaliënbunker en de woning (voormalige bedrijfswoning) bedraagt 35 meter. Ten zuiden van de inrichting ligt op circa 75 meter de spoorlijn Utrecht-Amersfoort.

2.2. Verweerder heeft gesteld dat het beroep van appellant sub 1

niet-ontvankelijk is voor zover dat zich keert tegen het niet door hem beoordelen van de aanvraag als zou er sprake zijn van een oprichtingssituatie en dat het beroep van appellante sub 2 niet-ontvankelijk is voor zover dat zich keert tegen voorschrift N.2.

Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellant sub 1 heeft de gronden inzake het niet beoordelen van de aanvraag door verweerder als zou er sprake zijn van een oprichtingssituatie, alsmede de positie van de milieucontainer en de opslag van gevaarlijke stoffen op de plekken vermeld onder 1 en 2 op de kaart “Situatie RM” niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder heeft appellante sub 2 de grond inzake voorschrift N2, waarin is bepaald dat het ventilatiekanaal (van de luchtbehandeling) ter plaatse van de doorvoering door een brandwerende wand moet zijn voorzien van een brandklep, die automatisch zorgt voor een doelmatige afsluiting van het kanaal, wanneer de lucht in het betreffende kanaal een temperatuur bereikt van 68 °C of meer, evenmin als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. De Afdeling acht het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellant sub 1, dan wel appellante sub 2 redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellant sub 1, alsmede het beroep van appellante sub 2 in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3. Appellant sub 1 stelt dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kan reeds om die reden niet slagen.

2.4. Appellant sub 1 voert aan dat de aanvraag niet voldoet aan artikel 5.15 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: Ivb) omdat een veiligheidsrapport als bedoeld in het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 (hierna: het Besluit) ontbreekt.

2.4.1. In artikel 5.15, eerste lid, van het Ivb is – voor zover hier van belang – bepaald dat, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waarop paragraaf 3 van het Besluit van toepassing is, zij vergezeld gaat van die onderdelen van het veiligheidsrapport die betrekking hebben op de risico’s voor personen buiten de inrichting en voor het milieu.

In artikel 9 van het Besluit is bepaald dat degene die een inrichting drijft, er voor zorgt dat in de inrichting een veiligheidsrapport aanwezig is dat de actuele stand van zaken met betrekking tot de veiligheid van de betrokken inrichting weergeeft.

2.4.2. Uit artikel 8 van het Besluit volgt dat het van toepassing is op een inrichting indien daarin gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in hoeveelheden als genoemd in bijlage I van het Besluit. Gezien de in de aanvraag vermelde gegevens zijn in de onderhavige inrichting geen gevaarlijke stoffen aanwezig in hoeveelheden gelijk aan of meer dan de in bijlage I van het Besluit genoemde drempelwaarden. Gelet hierop, acht de Afdeling het standpunt van verweerder dat de aanvraag niet vergezeld hoeft te gaan van een veiligheidsrapport als bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, van het Ivb niet onjuist.

De beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Appellant sub 1 voert aan dat ten onrechte geen milieueffectrapport is opgesteld voor de inrichting, zodat door het bevoegd gezag een beoordeling moet plaatsvinden of een milieueffectrapport (hierna: mer) moet worden opgemaakt.

2.5.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen mer behoeft te worden opgemaakt noch een beoordeling daartoe.

2.5.2. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen, die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Daarbij worden een of meer besluiten aangewezen, bij de voorbereiding waarvan een mer moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden

- voorzover hier van belang – bij algemene maatregel van bestuur de

activiteiten aangewezen, ten aanzien waarvan het bevoegd gezag krachtens artikel 7.8b moet bepalen of voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij wordt ondernomen, een mer moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieueffectrapportage 1994 (hierna: het Besluit mer 1994) worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven. Ingevolge het tweede lid worden, voor zover hier van belang, als activiteiten als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de wet aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

2.5.3. De Afdeling stelt vast dat de aangevraagde activiteiten niet zijn aangewezen in de onderdelen C of D van de bijlage behorende bij het Besluit mer 1994. De Afdeling is van oordeel dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat geen milieueffectrapport opgesteld dient te worden en geen mer-beoordelingsplicht geldt. De Afdeling acht mitsdien het standpunt van verweerder dat de aanvraag niet vergezeld hoeft te gaan van een mer juist.

De beroepsgrond treft geen doel.

2.6. Appellant sub 1 voert aan dat het bestreden besluit ter zake van de chemicaliënbunker in strijd is met diverse voorschriften van de richtlijn CPR 15-1 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke stoffen alsmede ter zake van de gasflessenbunker in strijd is met diverse voorschriften van het Handboek milieuvergunningen. Zo wordt volgens hem niet voldaan aan de in de voorschriften 9.1.3 en 9.2.1 van de CPR 15-1 en het Handboek milieuvergunningen vermelde afstanden tussen de bunkers en een gebouw van de inrichting en tussen de verschillende in de chemicaliënbunker aanwezige chemicaliën. Hij betwijfelt of de muren van de gebouwen van de inrichting een brandwerendheid bezitten van minimaal 60 minuten en wijst er op dat zich in deze muren nog ramen bevinden. Voorts zijn volgens hem zowel de chemicaliënbunker als de gasflessenbunker niet omgeven door een hekwerk met twee toegangspoorten als bedoeld in voorschrift 9.1.7 CPR 15-1 en het Handboek milieuvergunningen en zijn in strijd met voorschrift 9.3.6 CPR 15-1 niet twee deuren aanwezig in de chemicaliënbunker. Appellant stelt ten slotte dat in strijd met de voorschriften 6.1.1 en 6.1.2 CPR 15-1 de stoffen waterstoffluoride (HF) en salpeterzuur (NHO3), alsmede dichloorsilaan en silaan niet gecompartimenteerd zijn opgeslagen. Appellant betoogt dat verweerder niet zonder meer heeft kunnen afwijken van de CPR 15-1.

2.6.1. Verweerder wijst er op dat waar niet wordt voldaan aan de vereisten van voorschrift 9.1.3 van CPR-15 dan wel het Handboek milieuvergunningen aan de vergunning specifieke eisen zijn verbonden aangaande de brandwerendheid van de tot de inrichting behorende gebouwen. Verder wijst verweerder er op dat in de vergunningvoorschriften voor beide bunkers detectoren en een sprinklerinstallatie zijn voorgeschreven. Verweerder merkt voorts op dat uit de CPR 15-1 volgt dat de stoffen HF en HNO3, zijnde twee zuuroplossingen, in de chemicaliënbunker naast elkaar mogen worden opgeslagen. Wat betreft de stoffen dichloorsilaan en silaan wijst verweerder er op dat deze stoffen niet in de chemicaliënbunker, waar zich hoofdzakelijk zuuroplossingen bevinden, doch in de gasflessenbunker worden opgeslagen.

2.6.2. Verweerder heeft bij de invulling van de hem toekomende beoordelingsvrijheid bij het stellen van voorschriften met betrekking tot de wijze van opslag van de gevaarlijke stoffen in de inrichting aansluiting gezocht bij de richtlijn CPR 15-1 voor wat betreft de chemicaliënopslag en het Handboek milieuvergunningen voor wat betreft de gasflessenopslag. Hoofdstuk 9 van de CPR 15-1 bevat voorschriften voor een opslaggebouw als de bij het bestreden besluit vergunde chemicaliënbunker. In voorschrift 9.1.3 CPR 15-1 is voorgeschreven dat indien de wanden en de deur van de bunker een brandwerendheid bezitten van ten minste 60 minuten en de dakconstructie een brandwerendheid van ten minste 30 minuten bezit, het opslaggebouw op ten minste drie meter van de erfscheiding en op ten minste vijf meter van een tot de inrichting behorend gebouw moet zijn gelegen. Vast staat dat aan deze afstand van vijf meter niet wordt voldaan nu de chemicaliënbunker zich op kortere afstand van de bouwdelen A en D bevindt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in voorschrift 9.1.3 CPR 15-1 genoemde afstanden mogen worden teruggebracht tot 0 meter als bedoeld in voorschrift 9.1.5 CPR 15-1, nu in voorschrift J.2.2 van de vergunning overeenkomstig voorschrift 9.1.5, aanhef en onder b, van de CPR 15-1 specifieke eisen zijn gesteld ten aanzien van de brandwerendheid van de muren van de tot de inrichting behorende gebouwen.

De Afdeling merkt op dat het Handboek milieuvergunningen voor de gasflessenbunker een soortgelijke regeling aanbeveelt, zodat ten aanzien van de gasflessenbunker verweerder zich eveneens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift J.2.2 in voldoende mate tegemoetkomt aan mogelijk van de gasflessenbunker te verwachten gevaar voor de omgeving.

De Afdeling overweegt voorts dat voorschrift J.3.1 niet overeenstemt met voorschrift 9.2.1 CPR 15-1, omdat in dit voorschrift een afstand van één meter in plaats van twee meter is voorgeschreven tussen stoffen in de chemicaliënbunker welke gescheiden moeten worden opgeslagen. Blijkens het verslag van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: het deskundigenbericht) bevinden de vaten met zuren zich in aparte, afgesloten kasten voorzien van lekdetectie en een opvangsysteem. De vaten zijn via leidingen aangesloten op processen binnen de inrichting. De stoffen die kunnen reageren met de zuren staan opgesteld aan de andere zijde van de ruimte, op een verhoging, en daar bevindt zich eveneens een opvangsysteem. De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift J.3.1 een gelijkwaardig beschermingsniveau biedt als voorschrift 9.2.1 CPR 15-1, gezien de wijze van opslag in de chemicaliënbunker en het feit dat vanwege de hoofdfunctie van de bunker als “chemical delivery system” de bunker niet frequent door personeel behoeft te worden betreden, hetgeen de kans op lek raken van de emballage door aanstoten of andere ongelukken klein maakt.

De Afdeling wijst voorts op voorschrift J.2.3 waarin een hekwerk is voorgeschreven rondom de bunkers overeenkomstig voorschrift 9.1.7 CPR 15-1 en het Handboek milieuvergunningen.

De Afdeling merkt op, dat zich in strijd met voorschrift 9.3.6 CPR 15-1 in de chemicaliënbunker slechts één deur bevindt in plaats van twee deuren. Gelet op het geringe vloeroppervlakte van de chemicaliënbunker heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een tweede deur in de chemicaliënbunker vanuit het oogpunt van veiligheid bezien niet noodzakelijk is.

De Afdeling is met verweerder van oordeel dat de stoffen HF en NHO3, nu deze geen ongewenste reacties met elkaar aangaan leidend tot gevaarlijke gassen of dampen en/of gevaarlijke situaties en ook niet behoeft te worden gevreesd voor het vrijkomen van (meng)warmte bij het samenvoegen van beide stoffen waardoor gevaarlijke dampen ontstaan en /of gevaarlijke spatten door kokende vloeistoffen, conform het bepaalde in voorschrift 6.1.1 in één compartiment kunnen worden opgeslagen. Ten slotte merkt de Afdeling op dat anders dan appellant veronderstelt de stoffen dichloorsilaan en silaan niet samen met zuren als salpeterzuur in de chemicaliënbunker, maar in de gasflessenbunker worden opgeslagen.

De Afdeling merkt naar aanleiding van de door appellant sub 1 ter zake aangevoerde gronden op, dat verweerder de vergunning heeft geweigerd wat betreft de naast de gasflessenbunker aangevraagde gasflessenopstelling.

De beroepsgronden treffen geen doel.

2.7. Voorzover appellant sub 1 vreest dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat deze grond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.8. Appellant sub 1, die op korte afstand van de inrichting woont, vreest de gevolgen van een calamiteit in de inrichting.

2.8.1. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de afstand tussen de woning van appellant sub 1, die in deze bepalend is, en de (opslag)gebouwen van de inrichting, mede gelet op de hoeveelheden stoffen die in de inrichting worden opgeslagen, toereikend is, zodat van een onaanvaardbaar extern veiligheidsrisico geen sprake is. Ook voor brandoverslag behoeft volgens dit bericht niet te worden gevreesd omdat uit berekeningen is gebleken dat ter plaatse van de woning van appellant sub 1 geen sprake zal zijn van een hogere warmtestralingsintensiteit dan 15 kW/m2. Gelet hierop, heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er vanuit het oogpunt van externe veiligheid geen aanleiding bestond de vergunning te weigeren.

De beroepsgrond treft geen doel.

2.9. In voorschrift K.1.6 is bepaald dat beschadigde of lekke gasflessen onmiddellijk in de buitenlucht moeten worden gebracht en worden gemerkt met het woord ‘defect’ respectievelijk ‘lek’; het onmiddellijk in de buitenlucht brengen van beschadigde of lekke gasflessen geldt niet voor de specifieke gasopslagplaatsen; ook moeten direct maatregelen worden getroffen om brand- en explosiegevaar, dan wel verstikkingsgevaar te voorkomen.

2.9.1. Appellant sub 1 kan niet met dit voorschrift instemmen. Hij vindt het gevaarlijk dat lekke of defecte gasflessen in de buitenlucht moeten worden gebracht.

2.9.2. De Afdeling merkt op dat voorschrift K.1.6 is ontleend aan voorschrift 9.4.17.1.510 van het Handboek milieuvergunningen, zij het dat in dit voorschrift achter “moeten” de bijzin “indien dat veilig, zonder gevaarsrisico’s kan geschieden” staat. De Afdeling is van oordeel dat voorschrift K.1.6 wat betreft het ontbreken van de bijzin vanwege een onzorgvuldige voorbereiding voor vernietiging op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht in aanmerking komt. Aangezien vergunninghoudster het net als appellante niet wenselijk acht dat lekke of defecte gasflessen altijd naar buiten moeten worden gebracht, ziet de Afdeling aanleiding op de hierna te melden wijze in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.10. Appellant sub 1 acht voorschrift A. 1.5, waarin is bepaald dat binnen drie maanden nadat de beschikking van kracht is geworden een onderzoek moet zijn uitgevoerd dat aangeeft op welke wijze het terrein van de inrichting kan worden afgesloten voor derden, te vrijblijvend. Volgens hem dient met het oog op de veiligheid een omheining om het terrein van de inrichting zonder meer verplicht te worden gesteld om het terrein ontoegankelijk te maken voor onbevoegden.

Verweerder merkt op dat aan vergunninghoudster is voorgeschreven onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden van een totale afsluiting van het terrein, met name omdat gebruikers van gebouwde eigendommen in de directe omgeving ervan deze gebouwen slechts kunnen bereiken via het terrein van de inrichting.

Gezien de situatie ter plaatse is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid voorschrift A.1.5 aan de vergunning heeft kunnen verbinden.

De beroepsgrond treft geen doel.

2.11. Appellant sub 1 stelt trillinghinder van de inrichting te ondervinden.

2.11.1. In voorschrift E.1.9 is - voorzover thans van belang - bepaald dat alle in de inrichting aanwezige werktuigen en installaties, alsmede door alle in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten in de volgende beoordelingsruimten buiten de inrichting de waarden A1, A2, en A3 voor de trillingssterkten Vmax en Vper niet meer mogen bedragen dan in de woning [locatie] respectievelijk 1, 3, en 5 gedurende de dag- en avondperiode en 1, 15 en 5 gedurende de nachtperiode en in het woongebouw [naam] respectievelijk 1, 3 en 5 gedurende de dag- en avondperiode en 1, 15 en 5 gedurende de nachtperiode.

2.11.2. Gelet op de stukken heeft verweerder bij de bepaling van de inzichten en bij de invulling van de beoordelingsvrijheid op het punt van trillingen de richtlijn 2 van de Stichting Bouwresearch “Hinder door trillingen voor personen in gebouwen” (hierna: SBR richtlijn 2) tot uitgangspunt genomen.

De Afdeling stelt vast dat de in voorschrift E.1.9 opgenomen getalswaarden voor Vmax en Vper niet overeenkomen met de SBR richtlijn 2. Niet valt in te zien waarom de waarden uit de SBR richtlijn 2 niet zijn overgenomen en evenmin waarop de voorgeschreven waarden zijn gebaseerd. Gelet hierop, komt voorschrift E.1.9 wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking, omdat dit voorschrift niet met de benodigde zorgvuldigheid is voorbereid. Aangezien het hier een kennelijke vergissing betreft, ziet de Afdeling aanleiding op de hierna te melden wijze in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.12. Appellant sub 1 is beducht voor geluidhinder afkomstig van de inrichting. Volgens hem zijn geen representatieve geluidmetingen verricht naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Hij wijst er op dat sprake is van een drukke omgeving en hij betwijfelt of bij de metingen gedurende de nachtperiode rekening is gehouden met de omstandigheid dat ’s nachts minder treinen rijden. Hij heeft dan ook bezwaar tegen de verhoging van de grenswaarde voor het equivalente geluidniveau van 40 naar 45 dB(A) etmaalwaarde.

2.12.1. In voorschrift E.1.1 is bepaald dat het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door alle in de inrichting aanwezige werktuigen en installaties, alsmede door alle in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten ter plaatse van een aantal beoordelingspunten niet meer mag bedragen dan 45, 40 en 35 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond en nachtperiode.

2.12.2. Verweerder heeft bij de invulling van de hem toekomende beoordelingsvrijheid ter vaststelling van de geluidgrenswaarden de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening tot uitgangspunt genomen.

Verweerder heeft bij het bepalen van de etmaalwaarde voor het equivalente geluidniveau aansluiting gezocht bij het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Uit onderzoek is gebleken, dat in de maatgevende nachtperiode – in de inrichting zijn veel continue in bedrijf zijnde geluidbronnen aanwezig - het referentieniveau van het omgevingsgeluid 35 dB(A) bedraagt. De Afdeling ziet in hetgeen appellant sub 1 heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid op onjuiste wijze is bepaald.

De in voorschrift E.1.1 gestelde equivalente geluidgrenswaarden stemmen overeen met het ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid. Verweerder heeft zich, gelet hierop, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze grenswaarden een toereikend beschermingsniveau bieden.

De beroepsgrond treft geen doel.

2.12.3. Appellant sub 1 betwijfelt verder of het plaatsen van een geluidscherm op het dak voldoende is om geluidhinder afkomstig van met name de koelinstallatie, de twee koeltorens en de AC-unit 010 tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

Blijkens de stukken betreft het hier een absorberend scherm met een hoogte van 2 meter en een lengte van 14 meter dat wordt geplaatst op het meest oostelijk gelegen gedeelte van bouwdeel A. In het akoestisch rapport is aan de hand van een rekenmodel, dat is ontleend aan de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai 1999, bepaald dat het scherm een doeltreffende akoestische maatregel vormt. Op grond van het deskundigenbericht is de Afdeling van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een zodanige akoestische situatie dat het rekenmodel niet zou kunnen worden gehanteerd. Verder is evenmin gebleken dat bij de berekeningen van verkeerde uitgangspunten is uitgegaan, zodat in het akoestisch rapport op correcte wijze rekening is gehouden met het geluidscherm als akoestische maatregel.

De beroepsgrond treft geen doel.

2.12.4. Appellant sub 1 betoogt dat ten einde te bezien of de geluidgrenswaarden worden nageleefd periodieke controlemetingen dienen plaats te vinden, waarbij de geluidbelasting van zijn woning dient te worden bepaald terwijl de ramen geopend zijn.

In voorschrift E.1.10 is voorgeschreven dat binnen 6 maanden nadat de beschikking van kracht is geworden aan het bevoegd gezag een rapport ter goedkeuring moet worden gezonden. In dit rapport moet door middel van berekeningen of metingen worden aangetoond dat aan de geluidvoorschriften E.1.1 t/m 1.1.7 wordt voldaan.

De Afdeling is van oordeel dat eenmalige berekeningen en metingen na het uitvoeren van bouwkundige en bronmaatregelen in het onderhavige geval de juistheid kunnen bevestigen van de uitgangspunten van het akoestisch rapport. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat kan worden volstaan met het in voorschrift E.1.10 voorschrijven van eenmalige controlemetingen. Dit laat onverlet dat verweerder naar aanleiding van klachten of in het kader van periodieke controle de naleving van de geluidvoorschriften kan toetsen.

Verder merkt de Afdeling op dat de niveaus van het verspreide geluid, alsmede beoordeling van de meetresultaten op grond van voorschrift E.1.3 moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding “meten en rekenen industrielawaai” 1999. Ingevolge deze Handleiding is het invallend geluid op de gevel bepalend voor het beoordelen van het optredende geluidniveau en speelt het bij deze beoordeling geen rol of de ramen bij de woning van appellant sub 1 open staan.

De beroepsgrond treft geen doel.

2.13. Voorschrift D.2.1 bepaalt dat de gasflessenbunker en de chemicaliënbunker dienen te zijn voorzien van een sprinklerinstallatie.

2.13.1. Appellante sub 2 heeft er bezwaar tegen dat op grond van dit voorschrift de chemicaliënbunker moet worden voorzien van een sprinklerinstallatie. In dit verband wijst appellante sub 2 er op dat de chemicaliënbunker de voorgeschreven brandwerendheid van 60 minuten heeft. Verder is de chemicaliënbunker voorzien van opvangreservoirs om bij calamiteiten de vrijgekomen chemicaliën op te kunnen vangen. Als de chemicaliënbunker inpandig wordt voorzien van een sprinklerinstallatie dan komen in geval van brand de in de bunker aanwezige opvangreservoirs vol met water te staan, waardoor deze niet meer als opvangreservoir kunnen dienen, waardoor bij het lek gaan van een vat de chemicaliën met het bluswater zullen uitstromen. Dient de chemicaliënbunker aan de buitenzijde van een sprinklerinstallatie te worden voorzien dan wijst appellante er op dat dit, volgens de brandweer, gelet op de reeds getroffen maatregelen geen toegevoegde waarde heeft en dan dient eveneens een bluswateropvang te worden gerealiseerd.

2.13.2. Dat verweerder wat betreft de chemicaliënbunker de eis van een sprinklerinstallatie heeft opgenomen houdt verband met de CPR 15-1, waarin is voorgeschreven dat de afstand tussen in een chemicaliënbunker opgeslagen stoffen die met elkaar kunnen reageren twee meter moet zijn. In de betreffende chemicaliënbunker bedraagt deze afstand gezien de beschikbare ruimte slechts één meter. Gelet hierop en gezien de noodzaak van de opslag van de bedoelde stoffen, die onderdeel uitmaken van de

neutralisatie-installatie en derhalve niet zonder meer elders kunnen worden bewaard, acht verweerder een sprinklerinstallatie uit het oogpunt van veiligheid bezien noodzakelijk vanwege de in de omgeving aanwezige woning, waarbij verweerder heeft meegewogen dat de brandweerkazerne zich aan de andere zijde van de drukke spoorlijn Utrecht-Amersfoort bevindt en het derhalve niet altijd mogelijk is voor de brandweer snel ter plaatse te zijn. Verder merkt verweerder op dat voorschrift D.2.1 niet eist dat de sprinklerinstallatie inpandig wordt aangebracht, zodat aan de buitenzijde van de bunker een sprinklerinstallatie kan worden aangebracht waarmee wordt voorkomen dat de opvangreservoirs in de bunker onder water komen te staan.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het vanuit het oogpunt van veiligheid bezien nodig is een sprinklerinstallatie voor de chemicaliënbunker voor te schrijven.

De beroepsgrond treft geen doel.

2.14. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellant sub 1 voorzover ontvankelijk deels gegrond is en dat het beroep van appellante sub 2 voorzover ontvankelijk ongegrond is. Hetgeen appellant sub 1overigens nog heeft aangevoerd doet aan het vorenstaande niet af.

2.15. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellante sub 2 niet-ontvankelijk voorzover het voorschrift N.2 betreft;

II. verklaart het beroep van appellante sub 2 voor het overige ongegrond;

III. verklaart het beroep van appellant sub 1 niet-ontvankelijk voorzover het betreft het niet beoordelen van de aanvraag door verweerder als zou er sprake zijn van een oprichtingssituatie, de positie van de milieucontainer en de opslag van gevaarlijke stoffen op de plekken vermeld onder 1 en 2 op de kaart “Situatie RM”;

IV. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van De Bilt van 30 oktober 2002, 00/15261, voorzover het betreft het in voorschrift K.1.6 ontbreken van de zinsnede “ indien dat veilig, zonder gevaarsrisico’s kan geschieden” en voorschrift E.1.9;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd in die zin dat aan voorschrift K.1.6 de zinsnede “ indien dat veilig, zonder gevaarsrisico’s kan geschieden” wordt toegevoegd en dat voorschrift E.1.9 komt te luiden als volgt:

Beoordelingsruimte Dag-/avondperiode 07.00-23.00 uur Nachtperiode 23.00-07.00 uur

A1 A2 A3 A1 A2 A3

Woning [locatie] 0,1 0,3 0,05 0,1 0,15 0,05

Woongebouw [naam] 0,1 0,3 0,05 0,1 0,15 0,05

VI. verklaart het beroep van appellant sub 1 voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt burgemeester en wethouders van De Bilt in de door appellant sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente De Bilt te worden betaald aan appellant sub 1;

VIII. gelast dat de gemeente De Bilt aan appellant sub 1 het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Brugman, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Brugman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2003

205.