Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AM5374

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-10-2003
Datum publicatie
28-10-2003
Zaaknummer
200305699/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juli 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoekster vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een opslagruimte voor grondstoffen voor kunststofvloeren, een mengruimte alsmede een kantoor op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Rijnwoude, sectie [..], nummers […] en […]. Dit besluit is op 30 juli 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305699/2.

Datum uitspraak: 21 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijnwoude,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoekster vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een opslagruimte voor grondstoffen voor kunststofvloeren, een mengruimte alsmede een kantoor op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Rijnwoude, sectie [..], nummers […] en […]. Dit besluit is op 30 juli 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 25 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 25 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 september 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.M.P. Cappelle, ing. B. Loos en A.J.M. van der Loo, gemachtigden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Verzoekster heeft in de eerste plaats betoogd dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met artikel 8.11, eerste lid, van de Wet milieubeheer, waarin, voorzover hier van belang, is bepaald dat in een vergunning duidelijk wordt aangegeven waarop zij betrekking heeft. In dit verband stelt zij onder meer dat ingevolge de voorschriften in hoofdstuk 10 van de vergunning gevaarlijke stoffen dienen te worden opgeslagen overeenkomstig de richtlijn CPR 15-1 “Opslag gevaarlijke stoffen in emballage” (hierna: de CPR 15-1), maar dat in de bij de aanvraag ingediende stukken, die ingevolge het dictum van het bestreden besluit deel uitmaken van de vergunning, een opslag van gevaarlijke stoffen is aangevraagd die van de CPR 15-1 afwijkt. Om de inrichting overeenkomstig de CPR 15-1 in werking te hebben, dienen bovendien, volgens verzoekster, zodanig ingrijpende maatregelen te worden getroffen, dat de grondslag van de aanvraag wordt verlaten.

2.3. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat met het in werking zijn van de inrichting overeenkomstig de in hoofdstuk 10 van de vergunning gestelde voorschriften kan worden gewacht totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure. De Voorzitter ziet hierin aanleiding om de hierna te noemen voorlopige voorziening te treffen. Het bovenstaande vormt voor de Voorzitter voorts aanleiding om de behandeling van het beroep te bespoedigen. Het betoog van verzoekster dat sprake is van strijd met artikel 8.11, eerste lid, van de Wet milieubeheer en van grondslagverlating, behoeft om die reden geen bespreking meer.

2.4. In wat verzoekster verder heeft aangevoerd, ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5. Verweerder dient op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rijnwoude van 15 juli 2003, voorzover het hoofdstuk 10 van de vergunning betreft;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rijnwoude in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Rijnwoude te worden betaald aan verzoekster;

III. gelast dat de gemeente Rijnwoude aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Heijerman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2003

255-361.