Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AM5367

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2003
Datum publicatie
29-10-2003
Zaaknummer
200206196/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 februari 2001 heeft appellant (hierna: het college) een verzoek van [verzoekers] om schadevergoeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206196/1.

Datum uitspraak: 29 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Maastricht van 5 november 2002 in het geding tussen:

[verzoekers], beiden wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2001 heeft appellant (hierna: het college) een verzoek van [verzoekers] om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 4 september 2001 heeft het college het daartegen door [verzoekers] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 november 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoekers] ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 20 december 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij besluit van 2 december 2002 heeft het college het bezwaar, opnieuw daarop beslissend, deels gegrond en voor het overige ongegrond verklaard, het besluit van 6 februari 2001 herroepen en aan [verzoekers] een vergoeding van € 200,00 toegekend.

Tegen dit besluit hebben [verzoekers] bij brief, bij de rechtbank ingekomen op 15 januari 2003, beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroepschrift ter behandeling doorgestuurd naar de Afdeling.

Bij brief van 4 februari 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 13 februari 2003 hebben [verzoekers] dat gedaan.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2003, waar het college, vertegenwoordigd door mr. G.A. van der Veen en J.E. Day, onderscheidenlijk advocaat te Breda en ambtenaar van de gemeente, en [verzoekers], in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], zijn verschenen.

Bij brief van 15 juli 2003 heeft het college nog een memorie ingediend.

Bij brief van 28 juli 1993 hebben [verzoekers] hierop gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege laten van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2. Overwegingen

2.1 Het verzoek is gegrond op de afwijzing op 25 maart 1993 door het college van burgemeester en wethouders van Geleen, rechtsvoorganger van het college, van een verzoek van [verzoekers] om de Woningvereniging [naam] krachtens artikel 14 van de Woningwet aan te schrijven tot het treffen van voorzieningen aan hun woning, gelegen aan de [locatie] te [plaats].

2.2 De rechtbank heeft overwogen dat – kort weergegeven - het college in het besluit van 4 september 2001 ten onrechte is uitgegaan van de rechtmatigheid van het besluit van 25 maart 1993 en dat het onrechtmatig heeft gehandeld door, ondanks het verzoek van [verzoekers] van 1993, niet tot aanschrijving te besluiten en heeft het besluit van 4 september 2001 vernietigd.

2.3 Bij voormelde brief van 15 juli 2003 heeft het college de Afdeling medegedeeld dat het zijn hoger beroep niet handhaaft in geval het beroep van [verzoekers] tegen het besluit van 2 december 2002 ongegrond wordt bevonden. [verzoekers] hebben daartegen bij brief van 28 juli 2003 bezwaar gemaakt, doch tevergeefs, nu geen rechtsregel zich ertegen verzet, dat het college zijn beroep niet handhaaft, indien het beroep van [verzoekers] tegen het besluit van 2 december 2002 ongegrond wordt verklaard. [verzoekers] worden door die gang van zaken ook niet benadeeld, omdat de beroepsgronden tegen dat besluit op dezelfde wijze worden beoordeeld als het geval zou zijn geweest, indien het college zich bij de uitspraak van de rechtbank over het besluit van 4 september 2001 zou hebben neergelegd. De Afdeling zal derhalve thans eerst ingaan op die beroepsgronden tegen het besluit van 2 december 2002.

2.4 Het betoog van [verzoekers] dat – samengevat weergegeven - in het besluit van 2 december 2002 ten onrechte nog steeds wordt uitgegaan van de rechtmatigheid van het besluit van 25 maart 1993 en dat dit reeds hierom voor vernietiging in aanmerking komt, faalt. Het college heeft met het besluit van 2 december 2002 uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 5 november 2002. Het heeft om die reden het besluit van 6 februari 2001 in zoverre herroepen en, uitgaande van de onrechtmatigheid van het besluit van 25 maart 1993, een oordeel gegeven over de aanspraak van [verzoekers] op vergoeding van de door hen gestelde schade.

2.5 De totale gestelde schade is door [verzoekers] begroot op

ƒ 97.271,25 en bestaat, naar zij stellen, in immateriële schade en kosten van geluidsrapporten, juridische bijstand en een psychologisch rapport, alsook reis-, telefoon-, porto- en administratiekosten.

2.6 [verzoekers] hebben aan hun verzoek om vergoeding van de gestelde immateriële schade ten grondslag gelegd dat – samengevat weergegeven – zij door de weigering van het college om Woningvereniging [naam] aan te schrijven tot het treffen van voorzieningen aan hun woning in de periode van 1984 tot juli 1998 in extreme mate te lijden hebben gehad van geluidsoverlast en gevoelens van machteloosheid. Dit heeft volgens hen bij hen geleid tot ernstig geestelijk en lichamelijk letsel en daarmee tot een aantasting in de persoon, als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Ter toelichting daarvan hebben zij een rapport van 25 januari 2000 van een als psychotherapeut werkzame gezondheidszorgpsycholoog overgelegd.

2.7 Anders dan [verzoekers] betogen, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat, voorzover geestelijk en lichamelijk letsel, zoals gesteld, is ondervonden in de periode, voorafgaand aan 25 maart 1993, dit niet aan het besluit van die dag kan worden toegerekend. Voorts kan het geestelijk en lichamelijk letsel dat, naar gesteld, is geleden in de periode na 25 maart 1993, zo dat al als een aantasting in de persoon, als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek moet worden beschouwd, negen jaar na aanvang van de gestelde geluidsoverlast evenmin aan dat besluit worden toegerekend. Het overgelegde rapport van de psycholoog biedt daarvoor ook geen aanknopingspunten. Het college mocht derhalve weigeren de gestelde immateriële schade te vergoeden. Over de vraag of de in de periode voor 25 maart 1993 gesteldelijk ondervonden geluidsoverlast op andere gronden tot een aanspraak op schadevergoeding jegens de gemeente of de Woningvereniging [naam] kan leiden, staat in deze procedure niet ter beoordeling. Die vraag kan desgewenst in een procedure bij de burgerlijke rechter aan de orde worden gesteld.

2.8 De in opdracht van [verzoekers] opgestelde geluidsrapporten dateren van onderscheidenlijk 1986, 1990 en 1991. Gelet hierop, heeft het college, anders dan [verzoekers] betogen, terecht overwogen dat de kosten van deze rapporten niet het gevolg zijn van het besluit van 25 maart 1993. Het college mocht vergoeding van deze kosten derhalve evenzeer weigeren.

2.9 Voor de door [verzoekers] gestelde reis-, telefoon-, porto- en administratiekosten heeft het college een vergoeding toegekend van

€ 200,00 in plaats van de gevorderde ƒ 1250,00 (€ 567,23). Het college heeft ook hier terecht in aanmerking genomen dat deze kosten, voor zover deze naar [verzoekers] stellen bij hen, voorafgaand aan het besluit van 25 maart 1993, zijn opgekomen, niet door dit besluit zijn veroorzaakt. Nu [verzoekers] deze kosten voorts hebben gespecificeerd, noch gedateerd, kan de hoogte van de toegekende vergoeding niet als onredelijk worden aangemerkt en mocht het college vergoeding van het meerdere weigeren.

2.10 [verzoekers] hebben de weigering van het college van een vergoeding van de overige kosten, waaronder die van juridische bijstand en een psychologisch rapport, niet gemotiveerd bestreden.

2.11 Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van [verzoekers] tegen het besluit van 2 december 2002 ongegrond is. Gelet op de brief van het college van 15 juli 2003, moet derhalve worden geconcludeerd dat het college het hoger beroep heeft ingetrokken.

2.12 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep van [verzoekers] tegen het besluit van 2 december 2002 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. De Wit

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2003

201.