Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AM5361

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2003
Datum publicatie
29-10-2003
Zaaknummer
200205167/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 januari 2002 heeft de gemeenteraad van Amsterdam, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 januari 2002, het bestemmingsplan "Westelijke Grachtengordel 2000" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200205167/1.

Datum uitspraak: 29 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3. Wijkcentrum d'Oude Stadt' en Werkgroep Keurblokken (hierna: Wijkcentrum d’Oude Stadt), gevestigd te Amsterdam,

4. het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum,

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2002 heeft de gemeenteraad van Amsterdam, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 januari 2002, het bestemmingsplan "Westelijke Grachtengordel 2000" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 27 augustus 2002, kenmerk 2002-5425, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief van 19 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 24 september 2002, [appellanten sub 2] bij brief van 10 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2002, Wijkcentrum d'Oude Stadt bij brief van 17 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 18 oktober 2002, het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum bij faxbericht van 23 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 23 oktober 2002, en [appellant sub 5] bij faxbericht van 4 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 5 november 2002, beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 4 november 2002. [appellanten sub 2] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 31 oktober 2002. Wijkcentrum d'Oude Stadt heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 4 november 2002.

Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 16 mei 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellanten sub 2], Wijkcentrum d’Oude Stadt en [appellant sub 5]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 augustus 2003, waar [appellanten sub 1], in de persoon van [een der appellanten sub 1], [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. A.J. Noordam, advocaat te Amsterdam, en vergezeld door [een der appellanten sub 2], Wijkcentrum d'Oude Stadt, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [gemachtigde], het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum, vertegenwoordigd door E.P. Swijter, ambtenaar van de gemeente, [appellant sub 5], in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door W.J. Ardewijn, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar de gemeenteraad, vertegenwoordigd door E.P. Swijter, ambtenaar van de gemeente, [partij A], vertegenwoordigd door mr. E. Pasman, advocaat te Amsterdam, en [partij B] en [partij C], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [gemachtigde], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het bestemmingsplan beoogt een actualisering van het planologisch regime voor een deel van de westelijke grachtengordel in de binnenstad.

Verweerder heeft het plan bij het bestreden besluit gedeeltelijk goedgekeurd.

2.3. [appellanten sub 1] kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de mogelijkheid tot onderkeldering van de gronden met de bestemming “Tuinen en erven” opgenomen in artikel 5, zevende lid, van de planvoorschriften. Zij menen dat een algeheel verbod tot onderkeldering dient te gelden, een en ander in verband met de volksgezondheid.

Wijkcentrum d’Oude Stadt, [appellanten sub 1], en het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan de zinsnede “en van de tuinen en erven die direct aan deze keurtuinen grenzen” in artikel 5, zevende lid, van de planvoorschriften. Zij menen dat de keurtuinen als gevolg hiervan niet voldoende worden beschermd.

2.3.1. De gemeenteraad heeft in artikel 5, zevende lid, van de planvoorschriften een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die de gemeenteraad de bevoegdheid geeft de bestemming “Tuinen en erven” te wijzigen ten behoeve van het bouwen van een parkeervoorziening en/of een fietsenstalling onder gronden met deze bestemming, met uitzondering van de keurtuinen en de tuinen en erven die aan deze keurtuinen grenzen.

2.3.2. Verweerder heeft het plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht voorzover de zinsnede “en van de tuinen en erven die direct aan deze keurtuinen grenzen” in het artikellid is opgenomen, met het overige deel van het artikellid heeft hij ingestemd.

2.3.3. De binnenterreinen tussen de Keizersgracht en de Herengracht zijn de zogenoemde keurblokken. Het grootste gedeelte van de keurblokken bestaat uit keurtuinen die van grote cultuurhistorische waarde zijn. Deze keurtuinen hebben de bestemming “Tuinen en erven” gekregen met de aanduiding “keurtuin” en genieten in verband met hun status meer bescherming in het plan dan de overige tuinen en erven. Deze extra bescherming uit zich onder meer in artikel 5, zevende lid, van de planvoorschriften.

De Afdeling is van oordeel dat verweerder er in redelijkheid vanuit heeft kunnen gaan dat de tuinen en erven zonder de aanduiding “keurtuin” geen verdergaande bescherming dienen te krijgen dan thans in het plan is opgenomen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, hoewel dit niet expliciet in de wijzigingsvoorwaarden is opgenomen, de gemeenteraad bij de vaststelling van een wijzigingsplan op basis van artikel 5, zevende lid, van de planvoorschriften ten behoeve van een ondergrondse parkeervoorziening onder deze gronden, een belangenafweging dient te maken waarbij het belang van de volksgezondheid een rol kan spelen.

2.3.4. Onbetwist is dat het bouwen van een ondergrondse parkeervoorziening direct naast bestaande keurtuinen gevolgen kan hebben voor het behoud van de waarden van deze keurtuinen. Verweerder erkent dan ook, zoals onder andere uit het bestreden besluit blijkt, dat het plan de keurtuinen dient te beschermen bij gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 5, zevende lid, van de planvoorschriften ten behoeve van ondergronds parkeren.

De Afdeling stelt vast dat er echter ook gronden, grenzend aan keurtuinen, zijn aan te wijzen die een zodanige grootte of ligging hebben dat de bouw van een ondergrondse parkeervoorziening onder deze gronden mogelijk geen nadelige invloed zal hebben op de naastgelegen keurtuinen. In dit verband heeft verweerder er in redelijkheid vanuit kunnen gaan dat artikel 5, zevende lid, van de planvoorschriften te star is wat betreft de zinsnede “en van de tuinen en erven die direct aan deze keurtuinen grenzen” en dat de bescherming van de keurtuinen op een andere wijze tot uitdrukking had dienen te komen.

2.3.5. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat artikel 5, zevende lid, van de planvoorschriften wat betreft de zinsnede “en van de tuinen en erven die direct aan deze keurtuinen grenzen” in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en het artikel voor het overige niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden dan wel verleend aan het plan.

De beroepen van Wijkcentrum d’Oude Stadt, [appellanten sub 1], en het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum zijn (in zoverre) ongegrond.

2.4. [appellanten sub 2], en Wijkcentrum d’Oude Stadt menen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bouw- en goothoogten wat betreft de bestemmingen “Gemengde doeleinden” en “Maatschappelijke doeleinden” voorzover daarbij wordt uitgegaan van gemiddelde bouw- en goothoogten in plaats van de feitelijke. Zij menen dat dit zal leiden tot een verslechtering van het stadsbeeld.

[appellanten sub 1] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan deze planregeling voorzover geen duidelijke regeling is opgenomen ten aanzien van de plaatsing van GSM antennes.

2.4.1. De gemeenteraad heeft per aaneengesloten straatwand de gemiddelde bestaande hoogte bepaald en deze op de plankaart vastgelegd. In de planvoorschriften heeft hij nadere regels opgenomen voor panden die hoger of lager zijn dan de aangegeven hoogtecategorie. De gemeenteraad stelt dat ten aanzien van antenne-inrichtingen beleidsregels zijn opgesteld waaraan moet worden voldaan bij de plaatsing van een antenne-inrichting.

2.4.2. Verweerder heeft het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft ingestemd met het standpunt van de gemeenteraad. Hij stelt dat bij een verzoek tot plaatsing van een antenne-installatie de status van het beschermd stadsgezicht in acht wordt genomen.

2.4.3. Ten aanzien van de gebouwen die op de waarderingskaart zijn aangeduid als “orde 1” of “orde 2”, staat het plan ingevolge artikel 3, derde lid, onder j en k, van de planvoorschriften bij recht een bouw- en goothoogte toe die overeenstemt met de bestaande bouw- en goothoogte. Bij vrijstelling maakt het plan ingevolge artikel 3, vierde lid, onder f, van de planvoorschriften voor deze gebouwen een verhoging mogelijk tot maximaal de op de plankaart aangegeven bouw- en goothoogte. Voor de overige gebouwen gelden ingevolge artikel 3, derde lid, onder h en i, van de planvoorschriften bij recht als maximale bouw- en goothoogte de op de plankaart aangegeven hoogten of de ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp-plan bestaande grotere hoogten.

2.4.4. De meest waardevolle gebouwen zijn op de waarderingskaart aangeduid als “orde 1”of “orde 2”, zodat deze slechts bij vrijstelling verhoogd kunnen worden. Gelet op artikel 3, vijfde lid, in samenhang met artikel 8, eerste lid, en tweede lid, onder c en d, van de planvoorschriften mag de toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid niet tot gevolg hebben dat het karakter van het stadsbeeld in onevenredige mate wordt aangetast en/of aan de ruimtelijke kwaliteit van het stadsbeeld in onevenredige mate afbreuk wordt gedaan. Daarnaast is bepaald dat het straatbeeld de verlening van vrijstelling moet toestaan. Bij de beoordeling hiervan wordt onder andere gelet op de omstandigheid dat het gevelbeeld van de Amsterdamse binnenstad wordt gekenmerkt door de variatie in bouw- en goothoogte binnen een gevelwand en dat de hoekpanden vaak een accent kennen waardoor ze hoger zijn dan de belendingen. Door de ophoging van panden mogen de variatie, de hoekaccenten en de toonaangevende elementen niet worden aangetast.

2.4.5. Bij het ophogen van gebouwen die op de waarderingskaart niet zijn aangeduid als “orde 1” of “orde 2” wordt er ingevolge artikel 3, derde lid, van de planvoorschriften rekening mee gehouden dat de afmetingen en ritmiek, evenals de gevelbeëindiging, detaillering, materiaalkeuze en kleur van de bebouwing zodanig op de omgeving moeten worden afgestemd, dat het karakter van het stadsbeeld niet in onevenredige mate wordt aangetast en dat aan de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied geen onevenredige afbreuk wordt gedaan.

2.4.6. Gelet op artikel 1, achtste lid, van de planvoorschriften is bij de maximale bouwhoogte een eventuele antenne-installatie inbegrepen.

Gelet hierop, alsmede artikel 3, derde lid, onder k van de planvoorschriften in aanmerking genomen, bestaat bij recht geen mogelijkheid tot het plaatsen van een antenne-installatie op gebouwen die op de waarderingskaart zijn aangeduid als “orde 1” of “orde 2”, maar slechts met toepassing van de vrijstellingsbepaling. Bij de beslissing omtrent vrijstelling ten behoeve van het plaatsen van een antenne-installatie op gebouwen die op de waarderingskaart zijn aangeduid als “orde 1” of “orde 2” dient aan dezelfde criteria getoetst te worden als genoemd in overweging 2.4.4. Daarnaast zal bij de beslissing omtrent vrijstelling worden getoetst aan de Beleidsregel Antenne-installaties Binnenstad. Hierin is onder andere vermeld dat plaatsing van een antenne-installatie op of aan rijks- en gemeentemonumenten niet is toegestaan, tenzij het karakter van het monument, welke tevens drager van het stadsgezicht is, niet wordt aangetast. Plaatsing van een antenne-installatie aan of op orde-2-panden, in hun karakteristiek behoudenswaardig als dragers van het beschermd stadsgezicht, is toegestaan, mits de behoudenswaardige karakteristiek niet zodanig wordt verstoord dat daarmee het straatbeeld wordt verstoord.

2.4.7. Op gebouwen die op de waarderingskaart niet zijn aangeduid als “orde 1” of “orde 2” is, gelet op artikel 1, achtste lid, in samenhang met artikel 3, derde lid, onder i, van de planvoorschriften, de plaatsing van een antenne-installatie mogelijk tot de maximaal op de plankaart aangegeven hoogte. Nu voor de bouw van een antenne-installatie ingevolge artikel 43, eerste lid, onder c, van de Woningwet, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, onder e, en artikel 5 van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, een lichte bouwvergunning is vereist, dient de bouwvergunning, gelet op artikel 44, derde lid, gelezen in samenhang met het eerste lid, van de Woningwet, eveneens te worden getoetst aan de criteria opgenomen in artikel 3, derde lid, van de planvoorschriften.

2.4.8. Het plan bevat eveneens een vrijstellingsbevoegdheid in artikel 3, vierde lid, van de planvoorschriften, waarbij aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid is gegeven vrijstelling te verlenen van de maximale bouwhoogte tot ten hoogste 5 meter voor antennes. In de planvoorschriften zijn geen nadere voorwaarden aan de vrijstelling verbonden ter bescherming van enige belangen. In de beslissing omtrent vrijstelling dient niettemin een belangenafweging gemaakt te worden, waarbij onder andere rekening wordt gehouden met het belang van de bescherming van het stadsbeeld. Een en ander is verwoord in de Beleidsregel Antenne-installaties Binnenstad.

2.4.9. Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de planregeling ten aanzien van de maximale bouw- en goothoogten en dat deze regeling, onder andere bij de plaatsing van een antenne-installatie, voldoende waarborgen biedt ter bescherming van het beschermd stadsgezicht.

Een en ander in aanmerking genomen heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

De beroepen van [appellanten sub 2], Wijkcentrum d’Oude Stadt, en [appellanten sub 1] zijn op dit punt ongegrond.

2.5. [appellanten sub 1] menen dat ten onrechte geen grondwaterparagraaf is opgenomen in het plan. Een en ander in verband met de mogelijkheid tot inpandig ondergronds parkeren, hetgeen schade kan toebrengen aan nabijgelegen panden.

2.5.1. De gemeenteraad stelt dat bij een initiatief voor een ondergronds bouwwerk zal moeten worden aangetoond dat de doorstroming van het grondwater door de bouw niet wordt belemmerd.

2.5.2. Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Hij kan instemmen met het standpunt van de gemeenteraad.

2.5.3. Voorzover appellanten stellen dat in het plan ten onrechte geen grondwaterparagraaf is opgenomen in verband met de mogelijkheid tot het bouwen van een ondergrondse parkeergarage overweegt de Afdeling dat voor de bouw hiervan een reguliere bouwvergunning is vereist.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, onder b, van de Woningwet mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwen onder andere niet voldoet aan de bouwverordening.

Ingevolge artikel 4.7 van de Bouwverordening Amsterdam 1993 mag bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden niet op zodanige wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid van die bouwwerken schaadt. In artikel 7.3.2, aanhef, onder e, is bepaald dat het verboden is in, op of aan een bouwwerk, een open erf of terrein, een sloot of ander water dan wel een niet-openbaar riool of put nabij een gebouw voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, of werktuigen te gebruiken waardoor op zodanige wijze water aan de bodem wordt onttrokken dat een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid van de bouwwerken schaadt.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen stellen dat in het plan geen grondwaterparagraaf behoeft te worden opgenomen nu bij het bouwplan een onderzoek moet worden gedaan naar de mogelijke gevolgen van het bouwwerk voor het grondwater en/of de grondwaterstand in verband met mogelijke aantasting van funderingen van naburige bouwwerken.

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellanten sub 1] is in zoverre ongegrond.

2.6. Wijkcentrum d’Oude Stadt kan zich niet met het bestreden besluit verenigen voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de gemiddelde diepte van de bebouwing. Hij vreest onder andere verdere bebouwing van de binnentuinen en een aantasting van het woon- en leefklimaat in verband met verminderde licht- en luchttoetreding.

2.6.1. De gemeenteraad is bij het bepalen van de achtergevelrooilijn uitgegaan van de gemiddelde achtergevelrooilijn per individueel gebouw, teneinde enige flexibiliteit in het plan te behouden.

2.6.2. Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft ingestemd met het standpunt van de gemeenteraad.

2.6.3. Ingevolge artikel 3, derde lid, onder c, en artikel 4, derde lid, onder c, van de planvoorschriften is uitbreiding van de bestaande bebouwing mogelijk tot een diepte van maximaal 2,5 meter, gerekend vanaf de bestaande achtergevel van de minst diepe belendingen. Dit voorschrift is niet van toepassing op hoeken van bouwblokken.

Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, zijn de uitbreidingsmogelijkheden van de bebouwing gering omdat in het plan is uitgegaan van de gemiddelde diepte van een individueel hoofdgebouw.

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd vrijstelling te verlenen van de vorengenoemde bebouwingsvoorschriften voorzover de lichttoetreding in de belendende bebouwing niet in onevenredige mate wordt aangetast.

Bij in het plan mogelijk gemaakte uitbreidingen van de bebouwing geldt dat het karakter van het stadsbeeld niet in onevenredige mate mag worden aangetast en/of aan de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied niet in onevenredige mate afbreuk mag worden gedaan.

Een en ander in aanmerking genomen heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat er gevreesd behoeft te worden voor een ernstige aantasting van het beschermd stadsgezicht dan wel van het woon- en leefklimaat.

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van Wijkcentrum d’Oude Stadt is in zoverre ongegrond.

2.7. Wijkcentrum d’Oude Stadt stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de vrijstellingsbevoegdheid ten behoeve van dakterrassen op aanbouwen. Hij meent dat dit leidt tot overlast en een inbreuk vormt op de privacy van de omwonenden.

2.7.1. De gemeenteraad heeft deze vrijstellingsbevoegdheid opgenomen in artikel 3, vierde lid, onder h, van de planvoorschriften.

2.7.2. Verweerder heeft ingestemd met deze regeling en heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht.

2.7.3. In artikel 3, vierde lid, onder h, van de planvoorschriften is aan het het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven vrijstelling te verlenen voor een dakterras met bijbehorende afrastering, waarvan de bouwhoogte ten hoogste 1,20 meter ten opzichte van het desbetreffende dak bedraagt. Ingevolge het vijfde lid, in samenhang met artikel 8, tweede lid, onder g, van de planvoorschriften zal in de belangenafweging bij de gebruikmaking van de vrijstellingsbevoegdheid onder andere de privacy van omwonenden en de gebruikers van de binnenterreinen worden betrokken.

Een en ander in aanmerking genomen is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen stellen dat de vrijstellingsbevoegdheid met voldoende waarborgen is omkleed ter bescherming van de belangen van omwonenden.

Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder op dit punt terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van Wijkcentrum d’Oude Stadt is op dit punt ongegrond.

2.8. Wijkcentrum d’Oude Stadt stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 1, zevenendertigste lid, van de planvoorschriften, voorzover bij de vaststelling van het plan de zinsnede “onder bedrijfsvaartuig wordt niet verstaan verhuurboten met milieuvriendelijke aandrijftechnieken” daaraan is toegevoegd.

2.8.1. Vooruitlopend op de Beheersvisie Water Binnenstad heeft de gemeenteraad deze zinsnede opgenomen.

2.8.2. Verweerder heeft het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en stelt dat het plan alleen toelaat wat nu mogelijk is.

2.8.3. Zoals het plan nu is opgesteld is het mogelijk de ligplaatsen binnen de bestemming “Waterweg/gracht” te gebruiken voor verhuurboten met milieuvriendelijke aandrijftechnieken. Vaststaat dat de ligplaatsen ten tijde van de goedkeuring van het plan niet in gebruik waren voor dit soort boten, zodat het plan meer toelaat dan het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bestaande gebruik.

Aangezien verweerder goedkeuring heeft verleend aan deze bepaling van de planvoorschriften met de enkele reden dat deze alleen toelaat wat nu ook mogelijk is, berust het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

Het beroep van Wijkcentrum d’Oude Stadt is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de zinsnede “onder bedrijfsvaartuig wordt niet verstaan verhuurboten met milieuvriendelijke aandrijftechnieken” in artikel 1, zevenendertigste lid, van de planvoorschriften.

2.9. [appellant sub 5] kan zich niet met het bestreden besluit verenigen voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Gemengde doeleinden” voorzover het de gronden [locatie 1] betreft. Zij bestrijdt dat het aldaar aanwezige tuinhuis bewoond is en meent dat bij de vaststelling van het plan ten onrechte niet is vastgehouden aan de bestemming “Tuinen en erven” met de aanduiding “te handhaven bebouwing ingeval van restauratie/verbetering” zoals is neergelegd in het ontwerp-plan. De bestemmingswijziging leidt naar haar mening tot een verminderde bescherming van het tuinhuis.

2.9.1. De gemeenteraad heeft als uitgangspunt dat zelfstandige woningen in beginsel worden bestemd tot gemengde doeleinden.

2.9.2. Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Hij stelt hierbij dat het tuinhuis wordt bewoond.

2.9.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het omstreden tuinhuis reeds jaren een zelfstandige gebruiksfunctie heeft, doch, anders dan de gemeenteraad en verweerder aanvankelijk meenden, feitelijk niet wordt bewoond. Verweerder heeft dit ter zitting erkend en tevens betoogd dat het huidige gebruik van het tuinhuis de aan het perceel toegekende bestemming rechtvaardigt. De Afdeling is van oordeel dat verweerder desalniettemin ten tijde van het nemen van het bestreden besluit zich niet voldoende rekenschap heeft gegeven van de gebruiksfunctie van het tuinhuis.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 5] is in zoverre gegrond zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Gemengde doeleinden” wat betreft de gronden [locatie 1].

Gelet op de omstandigheid dat de zelfstandige gebruiksfunctie van het tuinhuis past binnen de bestemming “Gemengde doeleinden”, ziet de Afdeling aanleiding om opnieuw goedkeuring te verlenen aan evengenoemd plandeel. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het tuinhuis onder de bestemming “Gemengde doeleinden” niet minder wordt beschermd dan onder de bestemming “Tuinen en erven” en de aanduiding “te handhaven bebouwing ingeval van restauratie/verbetering”. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de planvoorschriften, voorzover van belang, mag bestaande bebouwing op de binnenterreinen met deze aanduiding worden gehandhaafd en geheel vernieuwd, maar niet vergroot. Dit waarborgt naar het oordeel van de Afdeling niet het behoud van het tuinhuis in zijn huidige staat. In dit verband heeft verweerder niet ervan uit behoeven te gaan dat de bestemming “Gemengde doeleinden” slechts gerechtvaardigd is indien het tuinhuis eveneens is opgenomen als orde 1 pand op de waarderingskaart, zoals appellante wenst.

2.10. [appellanten sub 2] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel wat betreft [locatie 2], voorzover niet eveneens de aanduiding “woningen niet toegestaan” is toegekend.

2.10.1. De gemeenteraad heeft aan de gronden [locatie 2] de bestemming “Gemengde doeleinden” en de aanduiding “hotel [h]” toegekend. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn deze gronden onder meer aangewezen voor woningen.

2.10.2. Verweerder heeft het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht.

2.10.3. In het Programakkoord is opgenomen dat werk- en kantoorpanden, groter dan 1.000 m² vloeroppervlakte, niet meer omgezet mogen worden naar een woonfunctie teneinde werkgelegenheid voor de binnenstad te behouden. De gronden met panden met meer dan 1.000 m² vloeroppervlakte in gebruik bij niet-woonfuncties hebben in het plan de aanduiding “woningen niet toegestaan” gekregen.

Verweerder heeft hiermee ingestemd.

Het vorenstaande acht de Afdeling niet onredelijk.

Onbetwist is dat de vloeroppervlakte van het hotel aan de [locatie 2] meer is dan 1.000 m².

Blijkens het verhandelde ter zitting is verweerder van mening dat ten onrechte de aanduiding “woningen niet toegestaan” niet aan de gronden is toegekend. Aldus had dit voor hem aanleiding moeten zijn om goedkeuring aan het betrokken plandeel te onthouden. In het bestreden besluit is verweerder hier ten onrechte aan voorbijgegaan, zodat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Gemengde doeleinden” en de aanduiding “hotel [h]” wat betreft de gronden [locatie 2].

De Afdeling ziet gelet op het vorenoverwogene aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het evengenoemde plandeel.

2.11. [appellanten sub 2] stellen dat de ondergrond van de plankaarten onjuist is, onder andere omdat bij [locatie 2] slechts een lichthof is opgenomen in plaats van twee. Zij wensen dat de juiste objectgrenzen worden weergegeven op de plankaart in verband met de rechtszekerheid en het behoud van de aanwezige bebouwing. Zij vrezen dat anders onder andere de lichthoven kunnen worden volgebouwd.

2.11.1. De gemeenteraad stelt dat het plan geen uitspraak doet over eventueel aanwezige lichthoven zodat het wel of niet aanwezig zijn van deze lichthoven op de ondergrond van de plankaart niet van belang is.

2.11.2. Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht.

2.11.3. Ingevolge artikel 16 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, voorzover hier van belang, dienen de plankaarten te worden getekend op een duidelijke ondergrond en dienen op de kaarten de bestaande gebouwen en de namen van de belangrijkste wegen, straten en waterwegen te worden aangegeven.

Blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, is de ondergrond van de plankaarten niet geheel actueel.

Niet is echter gebleken dat de kaartondergrond in zijn algemeenheid zodanige onjuistheden bevat dat het plan wegens strijd met de hierboven aangehaalde wettelijke bepaling niet in stand zou kunnen blijven. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat niet is gebleken dat de kaartondergrond leidt tot rechtsonzekerheid, dan wel het behoud van de aanwezige bebouwing in gevaar komt.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellanten sub 2] is op dit punt ongegrond.

2.12. [appellanten sub 2] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 3, zevende lid, van de planvoorschriften. Zij vrezen een aantasting van hun woon- en leefklimaat. Daarnaast menen zij dat het college van burgemeester en wethouders enige malen ten onrechte bouwvergunningen heeft verleend voor het vergroten van het hotel aan de [locatie 2].

2.12.1. De gemeenteraad heeft in artikel 3, zevende lid, van de planvoorschriften een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die de gemeenteraad de bevoegdheid geeft de bestemming “Gemengde doeleinden” te wijzigen ten behoeve van de nieuwvestiging dan wel uitbreiding van hotels.

2.12.2. Verweerder heeft dit planvoorschrift niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht.

2.12.3. Bij gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid dient ingevolge artikel 3, elfde lid, van de planvoorschriften getoetst te worden aan de criteria genoemd in artikel 8 van de planvoorschriften. In dit artikel is onder andere bepaald dat uitbreiding van bestaande hotels en nieuwvestiging mogelijk is voorzover de uitbreiding van de hotelfunctie niet leidt tot aantasting van het woon- en leefmilieu.

De Afdeling is van oordeel dat dit artikel derhalve voldoende waarborgen biedt ter bescherming van het woon- en leefmilieu. De omstandigheid dat ten onrechte bouwvergunningen zijn verleend, wat daar ook van zij, kan in deze procedure niet aan de orde komen, nu thans alleen het bestemmingsplan voorligt.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellanten sub 2] is op dit punt ongegrond.

2.13. Verweerder dient ten aanzien van de beroepen [appellanten sub 2] en Wijkcentrum d’Oude Stadt op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 5] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Wat betreft de beroepen van [appellanten sub 1], en het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 5], geheel, [appellanten sub 2], en Wijkcentrum d’Oude Stadt, gedeeltelijk, gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 27 augustus 2002, kenmerk 2002-5425, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan:

1. de zinsnede “onder bedrijfsvaartuig wordt niet verstaan verhuurboten met milieuvriendelijke aandrijftechnieken” in artikel 1, zevenendertigste lid, van de planvoorschriften;

2. het plandeel met de bestemming “Gemengde doeleinden” voorzover het de gronden [locatie 1] betreft;

3. het plandeel met de bestemming “Gemengde doeleinden” en de aanduiding “hotel [h]” voorzover het de gronden [locatie 2] betreft;

III. verleent goedkeuring aan het onder II.2. genoemde plandeel;

IV. onthoudt goedkeuring aan het onder II.3. genoemde plandeel;

V. bepaalt dat deze uitspraak wat betreft de onder II.2. en II.3. genoemde plandelen in de plaats treedt van het onder II. vermelde besluit;

VI. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1], het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum, geheel, [appellanten sub 2], en Wijkcentrum d’Oude Stadt, gedeeltelijk, ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland in de door hierna vermelde appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 417,55; dit bedrag dient door de provincie Noord-Holland als volgt te worden betaald aan:

1. [appellanten sub 2] € 365,57; waarvan een bedrag van € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

2. Wijkcentrum d’Oude Stadt € 51,98;

VIII. gelast dat de provincie Noord-Holland aan [appellanten sub 2], Wijkcentrum d’Oude Stadt en [appellant sub 5] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00 voor [appellanten sub 2], en [appellant sub 5] elk afzonderlijk en € 218,00 voor Wijkcentrum d’Oude Stadt) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en dr. J.J.C. Voorhoeve en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Kooijman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2003

177-409.