Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AM5354

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-10-2003
Datum publicatie
28-10-2003
Zaaknummer
200304646/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Naaldwijk het uitwerkingsplan “Uitwerkingsplan Pijletuinen III, [locatie]” vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 23 juni 2003, kenmerk DRM/ARB/03/7220A, beslist omtrent de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 12 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 15 juli 2003, beroep ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304646/2.

Datum uitspraak: 21 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Naaldwijk het uitwerkingsplan “Uitwerkingsplan Pijletuinen III, [locatie]” vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 23 juni 2003, kenmerk DRM/ARB/03/7220A, beslist omtrent de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 12 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 15 juli 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 12 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 15 juli 2003, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 oktober 2003, waar verzoekers, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door ing. J.C. Wassens, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn ing. J.J. Zuiderwijk en mr. D. Otto, ambtenaren van de gemeente, namens het college van burgemeester en wethouders van Naaldwijk, en mr. P. van Veen, namens [partij A], [partij B] en [partij C], daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Met het uitwerkingsplan wordt beoogd negen dakopbouwen aan de Dreeslaan mogelijk te maken.

2.3. Ter zitting is komen vast te staan dat de bestemming “Uit te werken woongebied (UW)“ van het bestemmingsplan “Pijletuinen III, eerste herziening” in 1993 is uitgewerkt in het uitwerkingsplan “Pijletuinen III, eerste herziening, gedeeltelijke uitwerking”. Hierbij hebben de gronden de bestemming “Woondoeleinden (W)“ gekregen op basis waarvan de bouw van de desbetreffende woningen aan de Dreeslaan heeft plaatsgevonden.

Ter zitting is namens de vertegenwoordiger van het college van burgemeester en wethouders van Naaldwijk desgevraagd verklaard dat het aan de orde zijnde uitwerkingsplan moet worden beschouwd als een herziening van het uitwerkingsplan uit 1993.

De Voorzitter overweegt hieromtrent dat, daargelaten de vraag of de herziening in overeenstemming is met de uitwerkingsregels, artikel 11, zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening zich verzet tegen een herziening van uitwerkingen op dezelfde wijze als waarop zij tot stand zijn gebracht, indien de bestemming is verwerkelijkt.

Daarnaast is ter zitting komen vast te staan dat het uitwerkingsplan bestaat uit een deel van een plankaart van het nog vast te stellen nieuwe bestemmingsplan “Naaldwijk-Oost” waarbij op de plaatsen van de voorziene dakopbouwen blokken zijn ingekleurd. Vanwege het ontbreken van legenda en voorschriften behorende bij deze plankaart alsmede het ontbreken van een verwijzing naar dan wel samenhang met het bestemmingsplan “Pijletuinen III, eerste herziening”, acht de Voorzitter het uitwerkingsplan bovendien in strijd met de rechtszekerheid.

2.4. Gelet op het voorgaande verwacht de Voorzitter dat het bestreden besluit in de bodemprocedure reeds om de genoemde redenen niet in stand zal blijven. Omdat inwerkingtreding van het besluit onomkeerbare gevolgen met zich kan brengen, bestaat aanleiding de navolgende voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Verweerder dient in beginsel te worden veroordeeld in de proceskosten van verzoekers, doch van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 23 juni 2003, kenmerk DRM/ARB/03/7220A;

II. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Langeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2003

317