Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AM2475

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-10-2003
Datum publicatie
22-10-2003
Zaaknummer
200303435/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2001 heeft de burgemeester van Eindhoven (hierna: de burgemeester) ingevolge artikel 13b van de Opiumwet (oud) de tijdelijke algehele sluiting bevolen voor een periode van 52 weken van het door appellant geëxploiteerde horecabedrijf [naam bedrijf] gevestigd in het pand [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303435/1.

Datum uitspraak: 22 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 9 april 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Eindhoven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2001 heeft de burgemeester van Eindhoven (hierna: de burgemeester) ingevolge artikel 13b van de Opiumwet (oud) de tijdelijke algehele sluiting bevolen voor een periode van 52 weken van het door appellant geëxploiteerde horecabedrijf [naam bedrijf] gevestigd in het pand [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 29 maart 2002 heeft de burgemeester het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 april 2003, verzonden op 15 april 2003, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant per fax, ingekomen op 26 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Deze fax is aangehecht.

Bij brief van 26 juni 2003 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 september 2003, waar appellant met kennisgeving niet is verschenen en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. C.M. Willems-Heesakkers, ambtenaar der gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 13b van de Opiumwet (oud) is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

2.2. Bij nota van 20 mei 1999, gepubliceerd op 27 mei 1999 in het Gemeenteblad van Eindhoven, heeft de burgemeester zijn beleid vastgesteld inzake de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. Voor zover van belang komt dit beleid erop neer dat binnen de gemeente Eindhoven alleen in coffeeshops de handel in of verkoop van softdrugs wordt gedoogd. In horeca-inrichtingen met een vergunning als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Drank- en Horecawet (oud) is de handel in of de verkoop van softdrugs niet toegestaan.

2.3. Ingevolge paragraaf 11.1 van het op 13 juli 1999 door de burgemeester en burgemeester en wethouders vastgestelde en op 28 juli 1999 in ‘Groot Eindhoven’ gepubliceerde Horecastappenplan (hierna: het stappenplan) is, voor zover hier relevant, het beleid vastgesteld dat de volgende stappen worden ondernomen indien handel in softdrugs in een horecabedrijf, niet zijnde een coffeeshop wordt geconstateerd.

Eerste overtreding. De ondernemer krijgt van de politie een proces-verbaal. De politie maakt een mutatie van de overtreding. De ondernemer krijgt van het bevoegd gezag een schriftelijke waarschuwing.

Tweede overtreding. De ondernemer krijgt van de politie een proces-verbaal. De politie maakt een mutatie van de overtreding. Na advies van de politie wordt aan het bevoegd gezag voorgesteld om de inrichting op grond van artikel 70a of artikel 57, eerste lid, van de Politieverordening te sluiten. De duur van de sluiting van de inrichting wordt gesteld op 26 weken.

Derde overtreding en volgende overtredingen. De stap vermeld onder de tweede overtreding wordt herhaald met dien verstande dat de sluitingstermijn wordt gesteld op 52 weken.

2.4. Op 29 maart 1996 is aan appellant ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet (oud) een vergunning verleend op grond waarvan appellant bedrijfsmatig alcohol mag verstrekken voor het gebruik ter plaatse in zijn horecabedrijf [naam bedrijf].

Bij besluit van 26 november 1998 heeft de burgemeester [naam bedrijf] gesloten voor een duur van zes maanden, in verband met geconstateerde handel in softdrugs en geluidsoverlast.

Bij uitspraak van 3 februari 2000 heeft de president van de arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch het beroep gericht tegen het besluit op het - tegen het besluit van 26 november 1998 ingediende – bezwaar ongegrond verklaard. Daartegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij schrijven van 26 september 2001 heeft de chef van de afdeling Eindhoven Woensel-Zuid van de Politie Brabant Zuid-Oost omtrent de exploitatie van [naam bedrijf] gerapporteerd en geadviseerd om vanwege overtreding van de Opiumwet opnieuw [naam bedrijf] ingevolge artikel 11.1 van het Horecastappenplan te sluiten, thans voor een termijn van 52 weken. Bij voormeld schrijven heeft de chef van de afdeling Eindhoven Woensel-Zuid een aantal processen-verbaal gevoegd. Blijkens deze processen-verbaal is tijdens controles van 7 juni 2001 en 25 september 2001 geconstateerd dat in [naam bedrijf] softdrugs worden gerookt, vervaardigd en verkocht. Verder blijkt dat op 25 september 2001 de uitlevering van softdrugs is gevorderd en dat op die datum appellant voor het bezitten van een handelsvoorraad softdrugs is aangehouden. De hiervoor vermelde feiten zijn onbestreden gebleven door appellant en derhalve niet in geschil.

2.5. In geschil is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de burgemeester in het thans voorliggende geval in redelijkheid tot gebruik van zijn bestuursdwangbevoegdheid heeft kunnen overgaan.

2.6. De Afdeling stelt voorop dat het door de burgemeester gehanteerde beleid niet kennelijk onredelijk is.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat [naam bedrijf] geen coffeeshop is als bedoeld in het in de gemeente Eindhoven gevoerde coffeeshopbeleid. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat een inrichting die beschikt over een geldige vergunning ingevolge de Drank- en Horecawet niet een coffeeshop in de zin van het ter plaatse gevoerde beleid kan zijn. Daarvan uitgaande heeft de rechtbank met juistheid vastgesteld dat het gedoogbeleid ten aanzien van coffeeshops niet van toepassing is op [naam bedrijf].

2.7. Gelet op het voorgaande is het bij de beslissing op bezwaar door de burgemeester ingenomen standpunt – hier zakelijk weergegeven - dat er ter zake sprake is van een derde overtreding als bedoeld in paragraaf 11.1 van het stappenplan, niet onjuist.

Aldus beschouwd heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de burgemeester heeft gehandeld overeenkomstig door hem gevoerde beleid.

De Afdeling onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat uit het door appellant aangevoerde niet blijkt van bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, die een afwijking van het door de burgemeester gevoerde beleid rechtvaardigen.

Gelet op het vorenstaande kan niet worden staande gehouden dat de burgemeester in dit geval niet in redelijkheid van zijn bestuursdwangbevoegdheid gebruik heeft mogen maken.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Zwemstra

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2003

91-402.