Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AM2450

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-10-2003
Datum publicatie
22-10-2003
Zaaknummer
200302099/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2002 heeft de gemeenteraad van Lichtenvoorde, op voorstel van burgemeester en wethouders van 4 juni 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Lichtenvoorde West, herziening 41 (supermarkt C1000)".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302099/1.

Datum uitspraak: 22 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2002 heeft de gemeenteraad van Lichtenvoorde, op voorstel van burgemeester en wethouders van 4 juni 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Lichtenvoorde West, herziening 41 (supermarkt C1000)".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 21 januari 2003 beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 31 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 1 april 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 27 mei 2003 heeft verweerder aangegeven dat het beroepschrift hem geen aanleiding geeft tot het uitbrengen van een verweerschrift.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. M.J. van Basten, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem,

zijn verschenen. Voorts zijn namens de gemeenteraad van Lichtenvoorde,

B. ten Have, ambtenaar der gemeente, en namens supermarkt C 1000,

[gemachtigde], aldaar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij nadere memorie heeft appellante betoogd dat de kaarten die bij de vaststelling van het bestemmingsplan zijn gebruikt verouderd waren en dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het zogenoemd ladderrecht en een recht van overpad. Het aanvoeren van deze stellingen in dit stadium van de procedure is in strijd met een goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellante die niet eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Voornoemde stellingen kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Het bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding van de supermarkt aan de [locatie 1] te [plaats].

Verweerder heeft het plan goedgekeurd.

2.4. Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij is allereerst van mening dat door de uitbreiding van de supermarkt het woonkarakter van het gebied zal worden uitgehold. Appellante betwist verder de noodzaak tot uitbreiding. Zij verwacht dat door de uitbreiding op gronden grenzend aan haar perceel de reeds bestaande overlast zal toenemen hetgeen ertoe zal leiden dat het woongenot en haar privacy op onaanvaardbare wijze zullen worden aangetast. Samengevat vreest zij overlast als gevolg van het aan- en afrijden van vrachtwagens, het gebruik van winkelwagens en vlaggenmasten, reclame- en parkeerplaatsverlichting en het gebruik van glascontainers, alsook van een grote veegmachine. Ook trekt appellante de conclusies van het akoestische onderzoek in twijfel. Zij heeft verder bezwaren tegen de oprichting van een geluidsscherm langs de erfgrens van haar perceel en vreest waardevermindering van haar woning. Tenslotte vreest zij dat de parkeerproblematiek in de Van Heijdenstraat fors zal toenemen.

2.5. De gemeenteraad heeft aan de in geding zijnde gronden de bestemmingen “Winkels” en “Parkeerterrein” toegekend. Hierdoor wordt de beoogde uitbreiding van de winkel mogelijk gemaakt als ook het bijbehorend parkeerterrein dat op de gronden van de woningen [locatie 2] en [locatie 3] is voorzien.

2.6. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan goedgekeurd. Hij heeft bij zijn toetsing onder meer in aanmerking genomen dat de voorziene uitbreiding voor de supermarkt in overeenstemming is met het provinciale beleid inzake detailhandel en dat uit onderzoek blijkt dat het bedrijf kan voldoen aan de normen die het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) stelt.

2.7. Niet in geschil is dat het plan in overeenstemming is met het provinciale beleid ten aanzien van detailhandel. Uit de stukken blijkt dat de supermarkt grenst aan een gebied met een gemengd karakter waarin onder meer een muziekschool direct grenzend aan de supermarkt, een verpleegtehuis en winkelvoorzieningen in de Patronaatstraat aanwezig zijn. Voorts is schuin tegenover de supermarkt een woon-zorgcomplex voorzien. Ingevolge het plan is voor bestaande gebouwen een maximale goot- of boeihoogte van 4 meter toegestaan; voor het grootste gedeelte van de uitbreiding van de supermarkt geldt een nokhoogte van 4,5 meter die correspondeert met die van normale eengezinswoningen. Aan de straatzijde zijn nokhoogten van 6,5 en 9 meter voorzien waarmee aansluiting is gezocht bij de bouwhoogte van de muziekschool. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat weliswaar sprake zal zijn van intensief ruimtegebruik en een gebouw van enige omvang maar dat dit niet zal leiden tot een in stedenbouwkundig opzicht ongewenste of onaanvaardbare situatie. De omstandigheid dat het Gelders Genootschap twee negatieve preadviezen heeft uitgebracht ten aanzien van een concept(bouw)plan voor de supermarkt maakt dit oordeel niet anders. Uit de Wet op de Ruimtelijke Ordening, noch uit enig ander wettelijk voorschrift volgt dat het gemeentebestuur is gebonden aan een preadvies van een welstandscommissie.

2.7.1. De supermarkt is in 1991 van de Patronaatstraat verhuisd naar de Van Heijdenstraat. De gemeenteraad heeft ter onderbouwing van de noodzaak tot uitbreiding aangegeven dat sinds de vestiging ter plaatse het klantenaantal en de omzet zeer aanzienlijk zijn gestegen. Het bedrijf kampt met ruimtegebrek en wenst het huidige assortiment te vergroten. Van belang is verder dat het gemeentebestuur en de Lichtenvoordense Ondernemers Vereniging opdracht hebben gegeven aan het bureau MKB Reva een onderzoek uit te voeren naar de detailhandelsvoorzieningen in Lichtenvoorde. Uit het rapport “Centrum Lichtenvoorde, Detailhandelvoorzieningen nu en in de toekomst” van januari 2001 volgt dat in Lichtenvoorde een uitbreidingsruimte is van ongeveer 1100m2 verkoopvloeroppervlakte voor de foodsector en 4300m2 voor de non-foodsector. Niet is gebleken dat deze conclusie onjuist is. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren. Blijkens de plantoelichting wordt de verkoopvloeroppervlakte van de supermarkt van 840m2 naar 1500m2 uitgebreid, waarvan 250m2 is gereserveerd voor het non-foodassortiment en 410m2 voor het foodassortiment. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder er in redelijkheid van heeft kunnen uitgaan dat de noodzaak voor de uitbreiding voldoende is aangetoond en dat er in Lichtenvoorde voldoende distributie-planologische ruimte aanwezig is voor de uitbreiding van de supermarkt.

2.7.2. Wat betreft de door appellante gestelde aantasting van haar woon- en leefklimaat ten gevolge van het plan overweegt de Afdeling het volgende. Het bedrijf is een meldingsplichtige inrichting en zal dienen te voldoen aan de normen opgenomen in het Besluit, onder meer met betrekking tot licht- en geluidsoverlast. Het Adviesburo [naam adviesburo] heeft in opdracht van de exploitant van de supermarkt een geluidsonderzoek uitgevoerd met het doel te beoordelen of aan de normen gesteld in het Besluit kan worden voldaan. Het onderzoek heeft plaatsgevonden conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van het ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 1999. Daarbij is onder meer rekening gehouden met de verkeersbewegingen van vrachtwagens en personenauto’s en het dichtslaan van portieren. Uit het onderzoek blijkt dat in de nieuwe situatie met een aantal aanvullende maatregelen ruimschoots kan worden voldaan aan de normen die het Besluit stelt. Deze maatregelen betreffen het laten vallen van sporadisch nachtelijk vrachtverkeer, het voorkomen van gebruik van koelaggregaten op het terrein en het plaatsen van afschermingen op 2 punten, waaronder een scherm van 3 meter hoog langs de erfgrens van appellanten. Niet is gebleken dat deze conclusies uit het rapport onjuist zijn. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren. Ook is aannemelijk geworden dat de maatregelen die zijn vermeld in het rapport kunnen worden gerealiseerd. Wat betreft de stelling omtrent geluidsoverlast veroorzaakt door de aanwezigheid van vlaggenmasten, winkelwagentjes, glascontainers, veegmachines en overlast veroorzaakt door verlichting overweegt de Afdeling dat voldaan moet worden aan het Besluit en/of de bepalingen van de Algemene Plaatselijke Verordening. Ook met betrekking hiertoe is niet aannemelijk geworden dat niet aan de hierin neergelegde normen kan worden voldaan.

2.7.3. Wat betreft het bezwaar van appellante dat het plan de oprichting van een erfafscheiding van 3 meter hoog mogelijk maakt, overweegt de Afdeling dat uit de stukken blijkt dat deze erfafscheiding aan de noordzijde van de woning van appellante is voorzien. Het standpunt van verweerder dat de afscheiding niet of nauwelijks een negatieve invloed zal hebben op de bezonningssituatie is niet onredelijk. Hierbij heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat in de huidige situatie de woning [locatie 2] voor schaduwwerking zorgt en er reeds een erfafscheiding van ongeveer 2,50 meter hoog aanwezig is. Overigens blijkt uit de stukken dat het gedeelte dat hoger is dan 2 meter zal worden uitgevoerd in doorzichtig materiaal.

2.7.4. Met betrekking tot de bezwaren van appellante ten aanzien van de parkeerproblematiek, is van belang dat blijkens de plantoelichting de supermarkt een verzorgingsniveau heeft tussen streek- en dorpsvoorziening. Op basis hiervan en met inachtneming van de richtlijnen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de grond-, water-, wegenbouw- en verkeerstechniek is het gemeentebestuur uitgegaan van 1 parkeerplaats per 30,75 m2 bedrijfsvloeroppervlakte. De benodigde parkeercapaciteit is op grond hiervan begroot op 78 parkeerplaatsen waarvan 69 zijn voorzien op het terrein van de supermarkt. De overige plaatsen moeten worden gevonden door middel van langsparkeren in de Van Heijdenstraat. Ter zitting is gebleken dat bij deze berekeningen de parkeerbehoefte van het personeel is betrokken. De Afdeling ziet geen aanleiding aan de juistheid van deze cijfers te twijfelen. Vast staat dat thans op het terrein 50 auto’s kunnen parkeren. Ten opzichte van de huidige situatie vindt derhalve een toename plaats van 38%, terwijl de verwachting is dat de toename van klanten voor het bedrijf in vijf jaar 25% zal bedragen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat alhoewel niet alle parkeerplaatsen op eigen terrein worden aangelegd er geen sprake zal zijn van een ontoelaatbare situatie of dat structurele parkeerproblemen zijn te verwachten.

De Afdeling acht voorts niet aannemelijk gemaakt dat de voorziene uitbreiding ernstige effecten zal hebben op de verkeerssituatie ter plaatse. Zij neemt hierbij in aanmerking dat het gemeentebestuur ter bestrijding van eventuele toekomstige problemen verkeersmaatregelen kan treffen.

2.7.5. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van appellante betreft, bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

2.7.6. Uit het voorgaande volgt dat aannemelijk is dat het woon- en leefklimaat van appellante enigszins zal worden aangetast ten gevolge van de uitbreiding van de supermarkt maar dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid hieraan geen doorslaggevend gewicht behoefde toe te kennen. De omstandigheid dat [een der appellante] regelmatig nachtdiensten heeft en derhalve overdag moet slapen, maakt dit oordeel niet anders.

2.7.7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.P. van Os-Ravesloot, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Van Os-Ravesloot

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2003

248.