Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AM2389

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-10-2003
Datum publicatie
22-10-2003
Zaaknummer
200206379/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Bunnik, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 januari 2002, het bestemmingsplan "Dorpen Bunnik, Odijk en Werkhoven" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206379/1.

Datum uitspraak: 22 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. Vereniging van huiseigenaren “de Gaardstee”, gevestigd te Bunnik,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. Gereformeerde Kerk Bunnik, gevestigd te Bunnik,

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

en

Het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Bunnik, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 januari 2002, het bestemmingsplan "Dorpen Bunnik, Odijk en Werkhoven" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 14 oktober 2002, no. 2002REG002374i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 30 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 3 december 2002, appellant sub 2 bij brief van 9 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2002, appellante sub 3 bij brief van 10 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2002, en appellant sub 4 bij brief van 11 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 29 januari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 3 april 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 2, 3 en 4, alsmede van het gemeentebestuur van Bunnik. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2003, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellant sub 2, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], appellante sub 3, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door ir. M.J. Buruma, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn de gemeenteraad van Bunnik, vertegenwoordigd door C.J.M. Kruijssen, J.A.H. van den Berg en D. Kaas, ambtenaren van de gemeente, en [partij], daar gehoord. Appellant sub 4 is niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Met het plan wordt beoogd voor de drie kernen Bunnik, Odijk en Werkhoven een uniforme planologische regeling te geven. Het plan bestaat uit drie deelplannen en is grotendeels conserverend van aard.

Ontvankelijkheid

2.3. De Gereformeerde Kerk Bunnik heeft in beroep gesteld bezwaar te hebben tegen de begrenzing van het bebouwingsvlak op haar perceel ook met het oog op de bouw van één dienstwoning.

2.3.1. Gelet op de formulering van haar zienswijzen heeft appellante daarin slechts gesteld bezwaar te hebben tegen de begrenzing van het bebouwingsvlak met het oog op de bouw van twee dienstwoningen. Derhalve steunt de beroepsgrond, gericht tegen de begrenzing van het bebouwingsvlak voorzover het plan slechts één dienstwoning ter plaatse toestaat, dan ook niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake een zienswijze in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Geen rechtvaardiging is te vinden in het betoog van appellante dat genoemd bezwaar te herleiden valt tot de door appellante ingebrachte aanvulling op haar zienswijze, aangezien deze aanvulling na afloop van de daarvoor staande termijn bij de gemeenteraad is ingediend.

Het beroep van appellante is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

Overigens merkt de Afdeling op dat ter zitting door zowel verweerder als de gemeenteraad is toegezegd dat de bereidheid bestaat om de grenzen van het bebouwingsvlak op het perceel van appellante aan te passen, wanneer zij een concrete aanvraag doet voor de bouw van één dienstwoning.

Beroepsgrond van de Vereniging van huiseigenaren “de Gaardstee”

2.4. Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de bestemming “Wonen” voor het perceel [locatie sub 1]. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat woningbouw op genoemd perceel acceptabel is, aangezien eventueel hogere grenswaarden kunnen worden vastgesteld en de geluidsbelasting kan worden teruggebracht tot een aanvaardbaar niveau.

2.4.1. Verweerder heeft bij zijn bestreden besluit reden gezien het plan voorzover aan het perceel [locatie sub 1] de bestemming “Wonen” is toegekend, in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft in zoverre goedkeuring onthouden. Verweerder heeft daartoe onder meer overwogen dat het plan in strijd met artikel 77 van de Wet geluidhinder tot stand is gekomen, nu geen geluidsonderzoek vanwege burgemeester en wethouders heeft plaatsgevonden naar de geluidsbelasting op de te bouwen woningen op het genoemde perceel.

2.4.2. Het perceel [locatie sub 1] waarop zes woningen zijn voorzien, ligt aan de rand van Bunnik nabij de A12. De voorziene woningen worden slechts door een secundaire weg gescheiden van de [locatie], die als toegangsweg fungeert naar de nabijgelegen bedrijven en het centrum. Tevens wordt de genoemde weg gebruikt door verkeer dat uit Zeist richting de A12 gaat.

Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de Wet geluidhinder, bevindt zich langs een weg een zone met een nader in dat artikellid aangeduide breedte.

In artikel 74, tweede lid, onder b, van de Wet geluidhinder is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is, op wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt.

In artikel 77 van de Wet geluidhinder is –voorzover hier van belang– bepaald dat bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op de gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74 van de Wet geluidhinder, vanwege burgemeester en wethouders een akoestisch onderzoek wordt ingesteld naar:

a. de geluidsbelasting die door woningen binnen de zone, alsmede door gebouwen of andere objecten binnen de zone, ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 82, tweede lid, vanwege de weg zou worden ondervonden zonder de invloed van maatregelen die de geluidoverdracht beperken;

b. de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat de in de toekomst vanwege de weg optredende geluidsbelasting van de onder a bedoelde objecten de waarden die ingevolge de artikelen 82, 82a, 83 en 85 als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt, te boven zou gaan.

Uit de stukken, noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan aannemelijk was dat voor de Schoudermantel een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur zal gelden.

Derhalve bevindt zich langs deze weg een zone in de zin van artikel 74 van de Wet geluidhinder. Blijkens het verhandelde ter zitting ligt genoemd perceel binnen deze zone. Gezien het vorenstaande diende ingevolge artikel 77 van de Wet geluidhinder bij het voorbereiden van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden ingesteld.

Uit de stukken is gebleken dat ten tijde van de vaststelling van het plan geen akoestisch onderzoek door, dan wel in opdracht van het college van burgemeester en wethouders was verricht. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het plan in zoverre in strijd met artikel 77 van de Wet geluidhinder is vastgesteld. Reeds hierom heeft verweerder terecht goedkeuring aan de bestemming “Wonen” op het perceel [locatie sub 1] onthouden.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Beroepsgronden appellant [appellant sub 2]

2.5. Appellant stelt dat verweerder het plan, voorzover het betrekking heeft op zijn perceel, ten onrechte heeft goedgekeurd.

Appellant stelt dat ten onrechte een deel van zijn perceel buiten het plangebied ligt. Voorzover de plangrens wordt bepaald door het streekplan bestaat volgens appellant de mogelijkheid om daarvan af te wijken. Bovendien beschermt de door hem voorgestelde, meer noordelijk gelegen, plangrens de open gedeelten van de Kromme Rijn beter, aldus appellant.

Voorts kan hij zich niet met het bestreden besluit verenigen voorzover de bestemming “Landschappelijk Groen” in plaats van de door hem gewenste bestemming “Wonen” aan zijn perceel aan de Camminghalaan is toegekend. Appellant voert daartoe onder andere aan dat, gezien het natuurlijke verloop van de Kromme Rijn, woningbouw een logische afronding vormt. Voorts staan –in tegenstelling tot hetgeen verweerder stelt– het kasteel “Cammingha” en de boerderij “De Beesde” al niet meer vrij in het landschap, en is ter plaatse evenmin sprake van een vrijliggend gedeelte van de Kromme Rijn, zodat voor een aantasting van de vrije ligging van het kasteel, de boerderij, dan wel de Kromme Rijn ten gevolge van eventuele woningbouw niet behoeft te worden gevreesd, aldus appellant.

2.5.1. De gemeenteraad heeft bij de begrenzing van het plangebied de open gebieden langs de Kromme Rijn van groot belang geacht.

De gronden waarop appellant de woningen wenst te bouwen liggen gedeeltelijk in een gebied dat buiten de in het streekplan opgenomen bebouwingscontour ligt, aldus de gemeenteraad.

Voorts is de gemeenteraad van mening dat voor de verwezenlijking van de bestemming niet van belang is of appellant zijn gronden openstelt.

2.5.2. Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Hij acht de plangrens logisch, gezien de ter plaatse aanwezige boomgaard en de in het streekplan opgenomen contour. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat de ligging van de plangrens geen beperking van de rechten van appellant met zich brengt.

De door appellant gewenste bebouwing ligt deels binnen en deels buiten de contour, aldus verweerder. Bebouwing op het gedeelte dat buiten de contour ligt, is in strijd met het provinciale beleid en is ook gelet op het in de nabijheid gelegen natuurgebied volgens verweerder niet wenselijk. Hij vreest dat bebouwing binnen de contour de relatieve openheid van het gebied zal aantasten. Gelet op het nabijgelegen natuurreservaat en het kasteel “Cammingha”, acht verweerder bebouwing ter plaatse ook binnen de contour niet wenselijk.

2.5.3. Ten aanzien van de plangrens overweegt de Afdeling als volgt. Gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening komt de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan.

Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

Het perceel van appellant ligt in het noordoostelijke deel van het plangebied.

Blijkens de stukken is bij de begrenzing van het plangebied uitgegaan van de ligging van de bebouwingscontour in het streekplan. De gronden buiten deze contour maken onderdeel uit van het buitengebied. Blijkens het streekplan valt de bebouwingscontour in het oosten samen met de Kromme Rijn. In het noorden vormt de ten tijde van de vaststelling van het streekplan bestaande noordelijke dorpsrand een goede begrenzing van de bebouwing, zodat de bebouwingscontour daarmee volgens het streekplan is bepaald. Aan de noordelijke zijde van Bunnik kan de feitelijke bebouwing van de Hoenderiklaan worden beschouwd als de dorpsrand. Op het perceel van appellant wordt deze bebouwing niet voortgezet, maar uit de globale ligging van de contour blijkt dat de bebouwingscontour ten zuiden van de Hoenderiklaan is gelegen. Bij het leggen van de noordelijke plangrens is aangesloten bij de op het perceel aanwezige boomgaard. Uiteindelijk sluit de noordelijke plangrens aan op de oostelijke plangrens, die samenvalt met de westelijke zijde van de Kromme Rijn.

De Afdeling is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat verweerder zich in dit geval in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat hij deze in zoverre ook overigens terecht heeft goedgekeurd.

Dat een afwijking van de in het streekplan beschreven bebouwingscontour wellicht mogelijk is, wat daar ook van zij, maakt dit niet anders.

2.5.4. Ten aanzien van de stelling van appellant dat de gronden niet overeenkomstig de daaraan toegekende bestemming “Landschappelijk groen” kunnen worden gebruikt, overweegt de Afdeling als volgt.

In de in artikel 19 van de planvoorschriften van het deelplan “Dorpen- Bunnik” opgenomen doeleindenomschrijving is bepaald dat de op de plankaart als “Landschappelijk Groen” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. ontwikkeling en instandhouding van landschaps- en natuurwaarden,

b. watergangen, sloten en andere waterpartijen,

c. voetpaden,

d. extensief recreatief medegebruik,

e. parkeren, voorzover met code “P” op de plankaart aangegeven in het betreffende bestemmingsvlak, en f. instandhouding van ter plaatse voorkomende archeologische waarden, voorzover de gronden op de plankaart als “archeologisch waardevol gebied” zijn aangeduid.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt, dat, ook wanneer hij zijn gronden niet voor recreatief of ander gebruik zal openstellen, geen van deze doeleinden op zijn perceel kan worden verwezenlijkt.

Voorzover appellant heeft gesteld dat met de genoemde bestemming geen maatschappelijk doel wordt gediend, overweegt de Afdeling als volgt.

Blijkens de stukken bevinden zich in het plangebied verschillende percelen met een van oorsprong agrarische bestemming, die veelal in particulier bezit zijn. Deze gronden hebben doorgaans door natuurlijke ontwikkeling een landschappelijke waarde gekregen. Het maatschappelijke doel van de bestemming “Landschappelijk groen” is dan ook deze waarden te beschermen.

Voorzover appellant heeft aangevoerd dat de openheid van het landschap ten gevolge van eventuele woningbouw niet zal worden aangetast, overweegt de Afdeling als volgt.

De woningen aan de Camminghalaan en de Hoenderiklaan vormen de rand van de kern, ten noorden en westen daarvan heeft het landschap een open karakter. Het kasteel “Cammingha” en de daarnaast gelegen boerderij liggen direct ten zuiden van het perceel van appellant.

Volgens het deskundigenbericht hebben de gronden van appellant een aanzienlijk aandeel aan de openheid van het landschap. Woningbouw op het perceel van appellant zal, volgens het deskundigenbericht, de openheid van het gebied aantasten en afbreuk doen aan de Kromme Rijn als landschappelijk element. De Afdeling ziet geen grond om aan deze conclusies te twijfelen.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij de toekenning van de bestemming “Landschappelijk groen” dan aan het belang van appellant dat is gediend bij de toekenning van een woonbestemming aan de desbetreffende gronden.

Voorzover appellant heeft gesteld dat hij ten gevolge van het plan schade zal lijden, nu het plan voor hem minder bouwmogelijkheden biedt dan het vorige plan, overweegt de Afdeling dat geen grond bestaat voor het oordeel dat die schade zodanig zal zijn dat verweerder hierom in zoverre goedkeuring had moeten onthouden.

2.5.5. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

Beroepsgronden van de Gereformeerde Kerk Bunnik

2.6. Appellante stelt dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd voorzover het plan niet voorziet in de mogelijkheid om op het perceel Provinciale weg 32a twee dienstwoningen te bouwen. Zij voert hiertoe aan dat de mogelijkheid tot het bouwen van twee dienstwoningen noodzakelijk is om in de toekomst zowel de predikant, als de koster met hun eventuele gezinnen te kunnen huisvesten, hetgeen essentieel is voor het functioneren van de kerk. Tevens voert appellante aan dat het voorgaande plan de bouw van meer dan één dienstwoning wel toestond.

2.6.1. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat ook het vorige bestemmingsplan geen dienstwoning toestond zonder dat de noodzaak daartoe was aangetoond. Voorts acht hij het in beginsel in zijn algemeenheid niet noodzakelijk om meer dan één dienstwoning toe te staan. Indien niettemin de noodzaak van een tweede dienstwoning op termijn zou worden aangetoond kan alsnog door middel van een planherziening hiertoe de mogelijkheid worden geboden, aldus de gemeenteraad.

2.6.2. Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Hij heeft daarbij van belang geacht dat ook met het voormalige bestemmingsplan niet was beoogd meer dan één dienstwoning per kerk mogelijk te maken. Voorts heeft verweerder in aanmerking genomen dat de noodzaak van twee dienstwoningen niet is aangetoond. Hij heeft tevens bij zijn afweging betrokken dat het plan niet alleen een beperking maar ook een uitbreiding van de bouwmogelijkheden voor dienstwoningen bevat, aangezien de maximale inhoud van de dienstwoningen in vergelijking met het voorgaande plan is vergroot.

2.6.3. De desbetreffende gronden hebben de bestemming “Maatschappelijke doeleinden” met de code “Mk”.

Niet in geschil is dat het deelplan “Dorpen-Bunnik” ter plaatse maximaal één dienstwoning toestaat, die uitsluitend binnen het op de plankaart aangegeven bebouwingsvlak mag worden gebouwd.

Het deelplan bevat geen wijzigingsbevoegdheid die de bouw van een tweede dienstwoning mogelijk maakt.

Ten aanzien van de mogelijkheid een tweede dienstwoning te kunnen bouwen, overweegt de Afdeling dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat twee dienstwoningen naast het kerkgebouw noodzakelijk zijn. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat het volgens het deskundigenbericht gelet op de wisselende werktijden en de dikwijls korte duur van de werkzaamheden wenselijk is dat de koster op korte afstand van de kerk woonachtig is. Volgens het deskundigenbericht geldt dit eveneens voor de predikant. Volgens het deskundigenbericht is echter voor een goede uitoefening van beide functies een dienstwoning naast het kerkgebouw geen vereiste. De Afdeling ziet geen grond aan deze conclusie te twijfelen.

Voorzover het beroep van appellante is ingegeven door haar stelling dat het voorgaande plan de mogelijkheid bood meer dan één dienstwoning bij de kerk te bouwen, overweegt de Afdeling als volgt. Daargelaten of dat plan inderdaad een dergelijke mogelijkheid bood, kunnen in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt.

2.6.4. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is in zoverre ongegerond.

Beroepsgronden [appellant sub 4]

2.7. Appellant stelt in zijn beroepschrift dat verweerder het plan, voorzover aan zijn perceel de bestemming “Landschappelijk Groen” en de dubbelbestemming “Ecologische zone (dubbelbestemming)” is toegekend, ten onrechte grotendeels heeft goedgekeurd. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de genoemde bestemmingen hem beperken in zijn huidige activiteiten. Een bestemming overeenkomstig het langdurige agrarische gebruik ligt in de rede en een dergelijke bestemming is noodzakelijk voor de bedrijfsmatige uitoefening van zijn paardenfokkerij, aldus appellant.

Verder heeft hij aangevoerd dat aan zijn gronden ten onrechte de dubbelbestemming “Ecologische zone (dubbelbestemming)” is toegekend, voorzover deze zone breder is dan 15 meter gemeten vanaf de oever van de Kromme Rijn.

2.7.1. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat de door appellant bedoelde gronden deel uitmaken van een zone langs de oevers van de Kromme Rijn, die zone is bedoeld om de karakteristieke, landschappelijke eigenschappen van die oevers en de natuurwaarden daarvan te behouden en te ontwikkelen. Derhalve is aan de genoemde gronden geen agrarische bestemming toegekend, aldus de gemeenteraad.

De gemeenteraad heeft gedeeltelijk aan de gronden van appellant de dubbelbestemming “Ecologische zone (dubbelbestemming)” toegekend. De gemeenteraad is van mening dat deze dubbelbestemming geen beperking meebrengt van het huidige gebruik van de gronden van appellant.

2.7.2. Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Gelet op het feit dat de desbetreffende gronden slecht zijn ontsloten en in een landschappelijk waardevol gebied en dichtbij een woonwijk liggen, acht hij een agrarische bestemming met een agrarisch bebouwingsvlak in beginsel niet toelaatbaar. Verweerder is dan ook van mening dat een bedrijfsmatige paardenfokkerij ter plaatse niet wenselijk is.

Het bedrijf van appellant heeft volgens verweerder in zijn huidige vorm een hobbymatig karakter. De aan de gronden van appellant toegekende bestemming staat aan een dergelijk gebruik volgens verweerder niet in de weg.

2.7.3. Ten aanzien van de breedte van de strook met de dubbelbestemming “Ecologische zone (dubbelbestemming)” op het perceel van appellant overweegt de Afdeling als volgt.

Blijkens het deskundigenbericht varieert de breedte van de genoemde zone van 25 meter op de gronden van appellant tot 15 meter elders langs de Kromme Rijn, voorzover de grens niet wordt bepaald door dichterbij gelegen bebouwing. Uit de stukken blijkt dat de dubbelbestemming op de gronden van appellant tot doel heeft een natuurvriendelijke oever te kunnen verwezenlijken. Blijkens de stukken zijn dergelijke oevers ongeveer 5 meter breed, om echter voldoende ontwikkelingsruimte te behouden is een zone van 15 meter wenselijk. In het bestreden besluit is echter niet gemotiveerd waarom op het perceel van appellant niet kan worden volstaan met een zone van 15 meter breed. Het bestreden besluit berust in zoverre dan ook niet op een deugdelijke motivering en is voorzover verweerder goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de dubbelbestemming “Ecologische zone (dubbelbestemming)”, voorzover dit plandeel op het perceel van appellant breder is dan 15 meter, gemeten vanaf de oever van de Kromme Rijn, in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.7.3.1. Aan de door appellant bedoelde gronden is in het plan de bestemming “Landschappelijk groen” toegekend en aan een gedeelte van deze gronden is ook de dubbelbestemming “Ecologische zone (dubbelbestemming)” toegekend.

Ten aanzien van de stelling van appellant dat hij een agrarische bestemming voor zijn gronden wenst, zodat hij zijn paarden kan weiden en tevens zijn bedrijfsmatige paardenfokactiviteiten kan voortzetten, overweegt de Afdeling als volgt.

In de in artikel 17, eerste lid, van de planvoorschriften van het deelplan “Dorpen- Odijk” opgenomen doeleindenomschrijving is bepaald dat de op de plankaart als “Landschappelijk groen” opgenomen gronden zijn bestemd voor:

a. ontwikkeling en instandhouding van landschaps- en natuurwaarden,

b. watergangen, sloten en andere waterpartijen,

c. voetpaden,

d. extensief recreatief medegebruik.

In de in artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften opgenomen doeleindenomschrijving is bepaald dat de op de plankaart als “Ecologische zone (dubbelbestemming)” aangewezen gronden mede zijn bestemd voor ontwikkeling en instandhouding van landschaps- en natuurwaarden langs en in watergangen, sloten en andere waterpartijen, zodanig dat voor flora en fauna zones ontstaan.

Niet meer in geschil is dat de activiteiten die appellant verricht niet zijn aan te merken als activiteiten van bedrijfsmatige aard en dat een bestemming die in een dergelijk gebruik voorziet niet nodig is. De Afdeling stelt echter vast dat het gebruik van de gronden voor activiteiten van hobbymatige aard, bestaande uit het weiden van paarden, niet valt onder de vorenstaande doeleindenomschrijvingen. Nu verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat de aan de (dubbel)bestemmingen verbonden voorschriften appellant niet belemmeren in het weiden van paarden, maar de genoemde planvoorschriften in de weg staan aan deze activiteiten, is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het bestreden besluit is dan ook, voorzover verweerder daarbij goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Landschappelijk groen”, en aan het plandeel met de dubbelbestemming “Ecologische zone (dubbelbestemming)”, beide voorzover betrekking hebbend op het perceel van appellant, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.7.4. Gelet op het vorenstaande is het beroep van appellant gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

In de gegeven omstandigheden ziet de Afdeling tevens aanleiding om aan het plandeel met de bestemming “Landschappelijk groen” en aan het plandeel met de dubbelbestemming “Ecologische zone (dubbelbestemming)”, beide voorzover betrekking hebbend op het perceel van appellant, goedkeuring te onthouden.

2.8. Ten aanzien van [appellant sub 4] dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van de Vereniging van huiseigenaren de Gaardstee, De Gereformeerde Kerk Bunnik en [appellant sub 2] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de Gereformeerde Kerk Bunnik niet-ontvankelijk, voorzover het de begrenzing van het bebouwingvlak op haar perceel ook met het oog op de bouw van één dienstwoning betreft;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 4] gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 14 oktober 2002, no. 2002REG002374i, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan:

a. het plandeel met de bestemming “Landschappelijk groen”, voorzover het betrekking heeft op het perceel van [appellant sub 4];

b. het plandeel met de dubbelbestemming “Ecologische zone (dubbelbestemming)”, voorzover het betrekking heeft op het perceel van [appellant sub 4];

IV. onthoudt goedkeuring aan de onder III genoemde plandelen;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

VI. verklaart de beroepen van de Vereniging van huiseigenaren “de Gaardstee” en [appellant sub 2] geheel en het beroep van de Gereformeerde Kerk Bunnik voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht in de door [appellant sub 4] in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322, 00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Utrecht te worden betaald aan appellant;

VIII. gelast dat de provincie Utrecht aan [appellant sub 4] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Troost

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2003

270-425.