Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL9026

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-2003
Datum publicatie
15-10-2003
Zaaknummer
200303237/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 september 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (hierna: het college) met toepassing van artikel 36 van de Drank- en Horecawet (hierna: de DHW) de toegang tot het horecabedrijf van appellant genaamd "[naam]" aan andere personen dan hen, die wonen in de ruimte, ontzegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2003/2225
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303237/1.

Datum uitspraak: 15 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 20 maart 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 september 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (hierna: het college) met toepassing van artikel 36 van de Drank- en Horecawet (hierna: de DHW) de toegang tot het horecabedrijf van appellant genaamd "[naam]" aan andere personen dan hen, die wonen in de ruimte, ontzegd.

Bij besluit van 12 december 2001 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 maart 2003, verzonden op 24 maart 2003, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 5 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 juni 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 juli 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door I. de Leeuw, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3 van de DHW is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

Ingevolge artikel 36 van de DHW zijn burgemeester en wethouders bevoegd aan andere personen dan hen, die wonen in de ruimte, waarin in strijd met deze wet alcoholhoudende drank wordt verstrekt, de toegang tot die ruimte te ontzeggen.

2.2. Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 36 van de DHW tot sluiting van zijn horecabedrijf over te gaan op de grond dat appellant niet langer beschikt over de vereiste horecavergunning. Voorts acht hij de sluiting te vergaand en buiten proporties.

2.3. Dit betoog faalt. In haar uitspraak van heden in zaak no. 200303221/1 (aangehecht) is de Afdeling tot het oordeel gekomen dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college was gehouden de vergunning van appellant voor de uitoefening van zijn horecabedrijf genaamd “[naam]” in te trekken. Hetgeen appellant hieromtrent heeft aangevoerd kan in deze procedure niet aan de orde komen. Het oordeel van de rechtbank dat het college bevoegd was om tot sluiting van het horecabedrijf over te gaan, is derhalve juist.

De door appellant aangevoerde feiten en omstandigheden zijn niet dermate bijzonder dat het college hierin aanleiding had moeten zien aan de belangen van appellant een zodanig gewicht toe te kennen dat het college het aanwenden van zijn bevoegdheid tot toepassing van artikel 36 van de DHW achterwege had moeten laten. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Van Tuyll van Serooskerken

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2003

204-290.