Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AL9020

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-2003
Datum publicatie
15-10-2003
Zaaknummer
200302686/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 december 2002 heeft de gemeenteraad van Tubbergen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 november 2002, het bestemmingsplan "Buitengebied, [locatie], te [plaats]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 1000677
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302686/1.

Datum uitspraak: 15 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2002 heeft de gemeenteraad van Tubbergen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 november 2002, het bestemmingsplan "Buitengebied, [locatie], te [plaats]" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 25 februari 2003, kenmerk RWB/2003/100, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 24 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 mei 2003.

Bij brief van 27 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en verweerder, vertegenwoordigd door O. Westra, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Tubbergen, vertegenwoordigd door D. Bonenkamp, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Met het plan wordt beoogd de bouw van twee vrijstaande woningen aan de [locatie] mogelijk te maken in plaats van één gesplitste woning.

2.3. Verweerder heeft het plan in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening en daaraan goedkeuring onthouden. Hij stelt dat het plan in strijd is met het provinciale ruimtelijke beleid, dat gericht is op het voorkomen van een toename van het aantal woningen dat niet-functioneel aan het landelijke gebied is gebonden. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in drie vergelijkbare gevallen achteraf gezien ten onrechte goedkeuring is verleend. Hij stelt dat in deze gevallen van verkeerde informatie, dan wel van verkeerd ingeschatte informatie is uitgegaan. Verweerder is van mening dat de gebleken fouten er niet toe mogen leiden dat in het nu aan de orde zijnde geval eveneens wordt beslist in strijd met het provinciale ruimtelijke beleid.

2.4. Appellante heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Appellante betwist dat het plangebied tot het landelijke gebied behoort. Appellante stelt voorts dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen en ondeugdelijk is gemotiveerd, omdat verweerder hiermee ten onrechte niet toestaat dat met het plan een eerdere fout in het bestemmingsplan “Buitengebied”, waarin het woonhuis dat reeds in twee woningen was gesplitst is bestemd als één woning, wordt hersteld. Hiermee wijkt verweerder volgens appellante af van vast beleid. Daarbij stelt appellante dat verweerder de hem toekomende bevoegdheid ontoelaatbaar heeft overschreden. Zij meent verder dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

2.5. De Afdeling onderschrijft het standpunt van appellante niet, dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht in hoeverre het plangebied kan worden aangemerkt als landelijk gebied. Gezien de ligging van het plangebied gaat het om landelijk gebied.

Het provinciale ruimtelijke beleid, neergelegd in het streekplan Overijssel 2000+ (verder te noemen: streekplan), is gericht op het tegengaan van nieuwe bebouwing die niet functioneel is gebonden aan het landelijke gebied. De Afdeling acht dit beleid in het algemeen niet onredelijk.

In het plangebied staat thans een woonhuis dat is gesplitst in twee woningen. De Afdeling acht het standpunt van verweerder, dat, gezien de verschijningsvorm van het bestaande woonhuis, door de bouw van twee vrijstaande woningen de niet-functioneel aan het landelijke gebied gebonden bebouwing toeneemt, niet onredelijk. Verweerder heeft het plan derhalve in strijd met het provinciale ruimtelijke beleid kunnen achten. Appellante heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat verweerder met het bestreden besluit afwijkt van vast beleid. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het bestreden besluit in dit opzicht ondeugdelijk heeft gemotiveerd of onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij de totstandkoming hiervan.

De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de hem toekomende bevoegdheid ontoelaatbaar heeft overschreden. Zoals onder 2.1 overwogen, rust op verweerder de taak om te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hierbij geldt dat verweerder, onder meer, dient te toetsen aan het streekplan. De Afdeling is van oordeel dat verweerder met de toetsing aan het streekplan zoals in dit geval is geschied, geen ontoelaatbare inbreuk heeft gemaakt op de beleidsvrijheid welke de gemeenteraad in beginsel toekomt bij de vaststelling van een bestemmingsplan.

Gelet op de stukken acht de Afdeling aannemelijk dat in het verleden bij de goedkeuring van enkele bestemmingsplannen die vergelijkbaar zijn met het aan de orde zijnde plan, is uitgegaan van verkeerde informatie, dan wel verkeerd ingeschatte informatie. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel strekt naar het oordeel van de Afdeling niet zover dat verweerder een uitgangspunt dat voorheen abusievelijk is ingenomen, zou moeten blijven toepassen.

2.6. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Troost

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2003

234-445.